Song van de week (124) : Neu! – Hallogallo


Zwaar genieten van deze geweldige psychedelische rocktrip uit Duitsland, bijna 50 jaar oud!! Wel leuk om naar het ook erg mooie Flying van Death in Vegas (1999) te luisteren. Denk dat je jongens van Death in Vegas héél goed naar Neu! hebben geluisterd!

Advertenties

Zeilen op het Lauwersmeer

Na een hete juli-maand, die ik voor groot deel niet in Nederland beleefde, volgde een natte en veel frissere periode, die juist tijdens deze dagen weer overgaat naar een nieuwe topzomerperiode. Stilletjes zit ik te hopen dat-ie mag duren tot einde volgende week, als we voor de 10e keer op Vlieland ‘Into The Great Wide Open’ gaan meemaken.
Vandaag was een overgangsdag. En die spendeerden we op het Lauwersmeer, in een Valkje. Ik ben totaal geen zeiler, zit eens in de vijf jaar in een zeilboot en dan hooguit zeiltechnisch met alleen wat hand-en-spandiensten. Zo ook vandaag.

ZeilenGevieren op dit valk-bootje was dit een zeer perfecte dag. Af en toe in de schaduw van de wolken, maar alleen als een volgende intro op een terugkerende zon. Iets is nog fijner als je er even op hebt moeten wachten. Trouwens, ik houd erg van schaduw.

Het Lauwersmeer noodt tot het nodige gedelibereer. Het is een prachtig gebied. Aan de ene kant: nooit meer iets aan doen, altijd houden zoals het is. Maar er is iets herfstigs aan het Lauwersmeer. Hoe heet het hier ook zijn kan, het wordt hier nooit zwoel. Het meer is er al 50 jaar, maar het lijkt op de een of andere manier of het meer eigenlijk nog steeds liever zee zou zijn. Misschien is het het ontbreken van ‘iets ouds’. Ook de oevers doen nog steeds nieuwlands aan. Hier staan wilgen, geen eiken. lauwersmeer
Bij de zeilschool, waar we onze boot huren, liggen veel prachtige, historische zeilboten in de haven. Op het water klasjes met kinderen in de optimistjes, allemaal achter elkaar aan. Her en der een motorjacht, maar hier is het toch vooral zeilen, zeilen, zeilen. Geen geflaneer op het water. Soms valt de wind weg en dobberen we wat, dan weer liggen we heerlijk scheef in het water. Een eilandje om lekker te lunchen. Wat een dag!

Later bij ‘Het Booze Wijf‘, het restaurant met groot terras, heerlijk vis gegeten en witbier gedronken. Daar verder gedelibereerd. Het is met deze uitspanning hetzelfde: er mist iets. Maar ja, wíllen we hier dan ook een soort Bloemendaal? Nee, natuurlijk niet. Maar toch moet er iets zijn, waarmee ook hier de sfeer aan warmte kan winnen. Wát dan? Willen we hier een ‘lounge’-sfeer? Die ontbreekt nu ten enen male. Elke sfeermoderniteit ontbreekt hier.
Of is hier de omgeving gewoon een rechtstreekse representant van de volksaard. Is het daarom dat je naast over de fysieke natuur ook over de natuur van een volk kunt spreken? Is dit gewoon wat het is omdat het Gronings is? 

Zit ik weer met dat dubbele gevoel. Ik wil dat het blijft zoals het is, maar toch mis ik iets. Nee, liever andersom: ik mis iets, maar toch wil ik dat het blijft zoals het is.

Once upon a time in… Hollywood

once upon a time in hollywoodHet is eigenlijk niet eerlijk, dit verhaal. Was dit een film van iemand anders dan Tarantino, had ik nog nooit gehoord van Tarantino, had Tarantino nog nooit een film gemaakt, ja… dan had ik dit ook meesterlijke film gevonden. Dan had ik gezegd: jezus, wat heerlijk deze tongue-in-cheek over-the-top extravertie van beelden, van referenties die terugslaan op highlights en sferen uit je eigen herinneringen (nostalgie!), wat een geweldige bochten worden er genomen, wat een hilarische subfilmpjes in de grote film, wat een heerlijke cameravoering.. ach, etcetera etcetera.

Maar ja, ik ken de films van Tarantino wél. En dan rest er continu een ándere referentie die zich naar de voorgrond dringt. Nee, dan is het ineens niét meer zo’n topfilm. Dan denk ik, willekeurig of onwillekeurig, maakt niet uit, dat Tarantino geweldig aan het schmieren is geslagen. Dan denk ik vooral dat hij vooral zichzelf aan het uitvergroten is, aan het etaleren is.
Vreemd genoeg haal ik dat uit weinig recensies op filmwebsites en websites van de grote kranten. Tarantino kan verdomd weinig fout doen, zo lijkt het.

Pitt en DiCaprio spelen een heerlijk relaxed spelletje samen. Bijna alsof ze bij HUMAN’s ‘De vloer op’ een snelle instructie hebben gekregen en vol op hun talent de scenes in zijn gedoken. Nogmaals: het is heerlijk om naar te kijken. Maar ik voel de spanning niet. Ik zit met een vette glimlach in de bioscoop. En dát was nou niet echt de bedoeling. Vind ik.
Ook de muziek heeft vaak die functie: het bijdragen aan de sfeer, door de hele film heen. Nu komt zo’n beetje alles voorbij uit de popgeschiedenis van rond 1969, maar heeft alles dezelfde sfeer.

Het is een leuke vondst om een handvat te bieden in de geschiedenis van de Manson-sekte, Sharon Tate & Roman Polanski, maar wat dan precies de functie ervan is, dat weet ik ook niet. Mijn ‘literaire’ drang blijft zoeken naar een bodem in de film, of dat nou een diepe of een dubbele is, maakt niet uit, maar ik zie in het geheel geen bodem. Het verhaaltje wordt verteld met magistrale beelden, heerlijk spel, prachtige rollen, prachtige koppen, natuur, spektakel, geweldig humoristisch, maar ondertussen…. gaat het eigenlijk nergens over.

Song van de week (123) : BCUC – Yinde

Ga hier maar eens 20 minuten voor zitten!
Over ’n paar weken ga ik er voor staan. En vraag me af of dat stilstaan wordt. BCUC betekent Bantu Continue Uhura Consciousness. Ze komen uit Zuid-Afrika. En ze komen naar Into The Great Wide Open, over 2 weken!! I’ll be there!

Naar Sardinië – 2019 – 8. Cala Gonone en Castelsardo – laatste dagen Sardinië

6 augustus 2019, op de ferry vanaf Porto Torres naar Genua, 21.30 uur
De boot is een uurtje terug vertrokken. We hebben in het buffetrestaurant wat gegeten. Daarvoor een uurtje op het dek gezeten, waar we 12 dagen terug een feestje vierden met Mario en Antoniano; gekeken hoe de trossen los gingen en hoe de zon geleidelijk onder ging.
Nu weer in de lounge met de Pullmann-seats. Best luxe stoelen, maar toch is dit de overnachtingsplek voor de klojo’s die geen eigen cabin hebben geregeld. We hebben ’t nog even nagevraagd – de mogelijkheid werd zelfs omgeroepen op het schip -, als de meerkosten onder de 50 euro blijven, dan doen we ‘t, zei Fenny, dan nemen we ook zo’n cabine. Helaas: meerkosten zijn 86 euro. Ik had 12 dagen terug eigenlijk best lekker geslapen op de Pullmann-seat. Zal nu ook wel weer lukken.

(4 augustus 2019)
Onze eerste hele dag bij Agriturismo S’Ozzastru. Het plan: vandaag dus even lekker niks. Dat is: genieten van de voorzieningen alhier. We hadden ons iétsje teveel ingesteld op ‘net zoiets als bij onze andere agriturismo, bij Costa del Sud’. Altijd gevaarlijk om je vooraf teveel een voorstelling te maken. Deze agriturismo (kamperen bij de boer) is veel minder intiem, kleinschalig. Bovendien konden we dus niet snel een ‘mooi plekje’ vinden.
Uiteindelijk was alles best prima en vond ik het plekje, onder een boom, vlakbij het zwembad, best prima. ’s Morgens bij het wakker worden was de zon nog achter de bomen. Dan is het heerlijk. En ’s nachts was ’t ook echt lekker; geen zweetnachten. Maar als om exact 8.26 uur ’s morgens de zon zomaar ineens over de boom komt, dan is het voorbij met de pret. Mijn hemel, wat een hitte dan ineens.
Dan pak ik de stoelen en de tafel op en installeer me 5 meter verder. Direct alles weer in orde.
Zo is ’t hier met de zon, zo was ’t ook de afgelopen weken: onwillekeurig altijd op zoek naar de schaduw. En dan hebben wij nog redelijk geboft met het weer: het kan echt nog een stuk heter zijn.

Wij zoeken een heerlijk plekje bij het zwembad. Of eigenlijk… op één van de Teletubbie-terrassen langs het zwembad. Ik had ‘n ‘perfect picture’ naar de dochters in Holland gestuurd en kreeg die opmerking terug: jullie zitten op Teletubbie-gras. Ze doelde op het kunstgras. Jawel, het kunstgras. Waarschijnlijk omdat het domweg zo lekker aanvoelt en er zo fris uitziet, was ik zelf nog niet op het idee gekomen, om er een sceptische of ridiculiserende gedachte bij op te laten borrelen. De grote parasol is fijn. Onze eigen meegesleepte stoelen zijn heerlijk. Ik heb zin om verder te lezen in m’n boek. En ik kijk er naar uit om erg frequent éven een duik te nemen.

Het is weekend en er zijn nogal wat gasten, die hier waarschijnlijk zelf niet verblijven, doch op zwem- en zonverpozing uit zijn. Ze hebben de meeste loungebanken rondom het zwembad in beslag genomen. Ach, we trekken ons er niet veel van aan. Het is hier ruim en de hele omgeving vergoed alles. Het terrein ligt op een helling en we kijken uit op een machtige bergrug die naar het noorden toe afzinkt in de zee, die we in de verte en diepte zien. Een ereterras, een balkon is het waar we ons bevinden. De businesslounge van Sardinië.

Ik vraag me vaak af wat het nu is, waardoor je Nederlanders áltijd herkent. Het is niet omdat ze schreeuwers zijn of zo. Het zit meer in een manier van kijken, van bewegen, dan van specifiek fysieke kenmerken. Het is een typisch Nederlandse uitstraling. Ik denk dat als ik mezelf niet zou kennen ik mezelf ook als zo’n typische Nederlander zou herkennen. In ieder geval stond er een stel te zoeken naar een schaduwplek en boden wij direct in ons thuistaaltje onze schaduw, onze parasol aan, om te delen.
Dat leverde op dat we de hele middag zo’n beetje met z’n zessen waren, zij hadden ook nog twee grote zonen van 17 en 19 bij zich. Dus naast het lezen was er veel ruimte voor een heerlijk ontspannen dag met fijne gesprekken met leuke mensen. Met hen maakten we de afspraak, de volgende dag een toertje op zee te gaan maken.
Aan ons Teletubbie-veldje grenst een kleine bar waar bier, wijn en lekkere broodjes beschikbaar zijn. We hebben verder helemaal niets nodig. De jongen aan de bar vertelt, dat de radio het momenteel niet doet en dat dat de reden is, waarom we de héle middag Pink Floyd op de achtergrond hebben, zijn favoriete muziek. Ik heb er bepaald geen bezwaar tegen.

’s Avonds bakken we lekkere aardappeltjes en maak ik nog een boel meters in ‘Anna’ van Niccolo Ammaniti. Met dit boek zit ik op een totaal ander spoor dan bij de vorige boeken: een apocalyps treft de wereld, alle volwassenen gaan dood en alleen kinderen blijven over en proberen te overleven. Een vreemd verhaal, maar het neemt me flink in beslag.

(5 augustus 2019)
Na het ontbijt maken we ons klaar voor vertrek met de auto naar Cala Gonone. De fietsen blijven eraf, de kist, de stoelen en de tafel blijven achter, de zwemspullen gaan mee. Cala Gonone is ‘het stranddorpje van Dorgali’. Dorgali ligt aan de binnenzijde van de kustbergrug; Cala Gonone aan de zee aan de andere kant.
We rijden eerst een tijd bergop tot bij de pas en daar gaat ineens de deur open naar een totaal andere wereld: in de diepte de zee en de rode daken van het dorpje bij de haven. De weg bestaat uit betonblokken en gaat in hele scherpe haarspeldbochten naar beneden. Fenny houdt met beide handen stevig haar stoelleuningen vast. Op meerdere plekken bevinden zich niet eens vangrails. Prachtig mooi, spectaculair. Nee, geen stuurfouten maken hier.

Beneden treffen we Anita, Fons en hun grote zonen, we drinken nog een kop koffie bij de haven en om 12 uur kunnen we de boot op. We weten op zich niet zoveel over wat er dan allemaal te gebeuren zal staan. Jawel, we zullen bij elkaar een uur of 5, 6 weg zijn, met deze boot langs verschillende strandjes gaan, waar je alleen met de boot kunt komen, per strandje een tijdje worden ‘gedumpt’ en dat je dan later weer wordt opgehaald met dezelfde boot. Maar hoe dit er qua ambiance, qua sfeer uit zal gaan zien, da’s nog open.

We klauteren op een uitzetplank de boot op. Er kunnen best meer dan 100 mensen op de boot, maar er zijn er maar een stuk of 40. Het is rustig, gemoedelijk. We zien wel, dat er meer van zulke boten langs de losse baaistrandjes trekken. Tussen deze strandjes rijzen de rotsen hoog op en op veel plaatsen zien we spectaculaire grotten, waarvan je niet kunt zien hoe diep ze zijn.
De hele entourage heeft wel een stuk meer ‘toerisme’ in het vaandel staan, maar de ‘tourist trap’, die voelen we nog niet echt. Het is geweldig om zo op het water te zijn en die prachtige kustconfrontatie te beleven: de kalme doch machtige zee en daar zomaar uit oprijzend de rotsen tot wel 100 meter hoog, bijna verticaal.

Dan komen we bij een strandje, waar we wat mensen moeten oppikken, zo blijkt. In eerste instantie kunnen we niet aanleggen en staan met open mond te kijken naar een ander schip, drie keer groter dan het onze, waar een flink kabaal vandaan komt. Er staat een man op het voorplecht luid, en versterkt, te zingen. En aan de rotskant van de loopplank staat een geweldige file van badgasten. Het dringt tot ons door dat deze boot genaamd Davide (van firma Davide e Golia) hier echt honderden mensen afzet en weer ophaalt. Ze moeten één voor één over de loopplank. Het gezang van de man betreft ‘wachtrij animatie’: houd de mensen vrolijk; ze zouden gek kunnen worden van de hitte en het wachten en het zich realiseren van hun ellende-situatie.

Een strandje verderop worden we zelf afgezet. Voor 10 euro mag je een parasol meenemen vanaf de boot. Fenny pakt er eentje. En even later staan we op een klein sikkelvormig strandje onder hoge rotsen. Een strandje van wit diep grint, toch best ‘zacht’ om doorheen te lopen. (Vorige week was er een berichtje op het Nederlandse nieuws: toeristen stelen massaal het strandgrint van Sardinië, zo las ik. Absurd! Maar het is mooi grint, dat wel.) We zigzaggen tussen de badlakens en parasols door naar een paar vrije vierkante meters.
Ik geef me over en dat geldt voor ons allemaal. We worden er wel een beetje lacherig van. Maar het is heerlijk in het turquoise water, waarin je zo naar de bodem kijkt, ook als het al meters diep is, en waar de kleine en grotere vissen vrijelijk om je heen zwemmen. De jongens hebben ook snorkels bij zich en met die snorkel zit ook in enige malen in die stille onderwaterwereld, waarin je de vissen ziet naast de trage onderwaterbewegingen van de andere badgasten.
In Fenny’s parasol blijken in het geheel geen baleinen te zitten. Maar geen nood, de rots is zó hoog, dat even later de schaduw al over ons komt vallen en er geen parasols meer nodig zijn.
De haal- en breng-badgastenferry’s varen ondertussen af en aan.

Later varen we voorbij het idyllische baaitje van Cala Luna. Een overhead-gidsstem vertelt in Italiaans, Engels, Frans én Duits over alle strandjes waar we voorbij komen. Alsof we allemaal blind zijn, vertelt deze stem hoe mooi het hier is. Een tweede keer worden we uit het bootje gezet bij een rotsstrandje. We vinden een heerlijk rustig plekje achteraan. Ik zie een Flow en een Psychologie liggen in het gras bij twee dames en zeg ‘goeiemiddag dames’. Ze keken me al lacherig aan, waarbij ik dacht: hmm, wat is er aan mij? Ze lieten me mijn blik vallen op de grote gele tas die ik droeg. Daarop in koeienletters “Hallo Jumbo”.
De toon was gezet. De dames waren sowieso al in een hilarische bui en vertelden vol zelfspot over hun toeristisch avontuur van deze middag: ze zijn passagiers van Davide! Ze komen van een haven nog een stuk verder dan Cala Gonone, zijn bij elkaar 9 uren onderweg deze dag en betalen daarvoor 50 euro om onder luid gezang van hutjemutjestrandje naar hutjemutjestrandje verplaatst te worden. Wij hebben 20 euro voor 6 uren betaald. Ze vinden het eigenlijk verschrikkelijk maar sublimeren dat met joligheid en slappe lach. ‘Waar we nóu in beland zijn?!’
Ha, zo voelen wij ons juist weer wat minder lullig. Want het is ons inmiddels ook wel duidelijk: mijn hemel, wat een tourist trap is dit! Wat naïef is het om te verwachten dan je met de zee-variant van een boswachter/natuurvorser op pad bent gegaan voor een middag met een selectief en nieuwsgierig gezelschap. Jaja, hoe zou Ilja Leonard Pfeiffer dit beschrijven in zijn toerisme-analyses: het oude continent wentelt zich zelfgenoegzaam naar de grote decadente ondergang.
We doen mee. We maken dit. En, eerlijk, eigenlijk genieten we er ook nog van. De overheadvoicedame vertelt over een diepe grot en onze boot navigeert met het hele voorsteven de grot in. Eigenlijk is het niks, gebeurt er niks. Maar ja, het is een imposante grot. En dat is het. En zo steek je je neus nieuwsgierig uit. Ik kom niet eens op het idee, dat ik niet-nieuwsgierig zou kunnen zijn. Alles is afleiding, alles is vermaak. Het filosofisch gehalte van deze zinnen zit niet in de beleving van het moment zelf, die ontstaat bij overdenking, later.

Om zes uur zijn we terug in Cala Gonone, rijden de berg weer op, haarspeldend, en doen in Dorgali boodschappen, niet alleen voor vanavond, maar ook voor de terugreis, na de bootreis naar Genua. En thuis bakken we wederom lekkere aardappeltjes met groente en een cordon bleu. Dit overigens ná nog even lekker in onze eigen zwembad het zeewater af te spoelen.

(6 augustus 2019)
Onze laatste dag op Sardinië!
Deze laatste dag willen we geen vol programma, graag een beetje relaxt. We hebben met Anita en Fons afgesproken om half elf nog lekker koffie te drinken en daarna te vertrekken. Eén geplande stop nog: het stadje Castelsardo naar de noordkust, nog ruim een half uur vóór Porto Torres, waar we om half zeven bij de ferry moeten zijn.

Zo verloopt de morgen. Ik neem nog de tijd om om tien uur (het moment dat het zwembad opengaat) eerst nog even lekker een laatste duik te nemen. We drinken wat koppen cappuccino, kletsen nog wat bij en om stipt half twaalf rijden we weg.

We rijden dan meer dan een uur door wat minder interessant land. Het landschap is lieflijk te noemen, heuvelachtig, bijna geen dorpjes. We krijgen nog een lastig issue: de benzine raakt op en we komen maar niet bij dorpjes. Benzinemeter gaat piepen en dan rijden we een stukje om om een dorpje te bereiken, dat zó klein blijkt te zijn, daar ís helemaal geen tankstation.
Uiteindelijk valt het natuurlijk best mee en heb je (waarschijnlijk) veel meer reserve dan je denkt. Maar goed, ondertussen word je er toch beetje zenuwachtig van.

Verder naar het noorden wordt de natuur weer spectaculairder, komen we weer langs berglandschap en prachtige vergezichten. Deze streek is niet of nauwelijks toeristisch. Telkens als we even uitstappen, meest om foto’s te maken, voelen we hoe zinderend heet het weer is.

Om een uur of drie komen we bij Castelsardo aan. De oude vesting torent hoog boven de zee op een schiereilandje. Het ziet er weer majestueus uit. We rijden met de auto tot aan de entree van de vesting, voorbij de nieuwere benedenstad.
Later zeg ik tegen Fenny: we hadden dit bezoek vast heel anders beleefd dan wanneer het onze eerste dag op Sardinië was geweest. We hebben met ons bezoek Castelsardo vast en zeker een beetje tekortgedaan. Castelsardo is een prachtig plekje. Een totaal ommuurd bergtopje, echt een oude vesting. Wandel je door de straatjes, dan kun je op zich ook wel op andere plekken zijn, smalle kronkelstraatjes met trappen, gele en roze muren, maar overal tussendoor zie je de zee, met aan de einder stukjes van Corsica. Een donderblauwe eindeloze zee. En daarvoor de stoere kleine toren van de kathedraal van Castelsardo en hoger het kasteel.
Op veel plekken zijn oudere dames aan het rietvlechten. Ze maken manden. Het ziet er mooi uit. Maar ja, daar is de toeristen-‘trap’ weer: een mand kost je 3 of 4 tientjes, je hebt zo’n mand niet nodig en je vind ‘m wel mooi, maar wat moet je ermee. En de oude dames benadrukken, dat ze over een mand die 4 tientjes kost minstens een hele dag doen. Dus verdienen ze maar een schijntje. Waar gáát dit over..

Zo dwalen we een uurtje rond door de straatjes van Castelsardo, kijken om ons heen vanaf de pleintjes in het kasteel op de top. Het is prachtig. Maar nu is een uurtje genoeg.

Later zitten we op een heerlijk terrasje aan een antipasti met bier en wijn en kijken uit naar de vesting op de top van de berg en naar het stadsstrandje tussen de rotsen, waar veel badgasten in het water zijn of onder hun parasol zitten/liggen. Ons laatste maaltje op het eiland.
We wandelen terug naar de auto en zien dat er een agent bonnen staat uit te schrijven. Hij heeft een paar auto’s eerder inderdaad ook eentje onder onze ruitenwisser gestopt. Potdorie! We wandelen naar ‘m toe en we wagen ons aan een oprechte treurtoon bij ons verhaal dat we écht niet wisten, dat hier niet mocht worden geparkeerd. De agent zoekt de bon op, verscheurt ‘m en vraagt twee-euro-vijftig van ons. Zogenaamde parkeerkosten. Fenny zegt nog tegen ‘m, dat ze hem dit biertje graag gunt. Hij lacht begripvol.

Als we bij de haven, waar de Rhapsody, dezelfde boot als de tocht 12 dagen terug, al klaar ligt, zeg ik luidop, dat het toch weer heerlijk is, dat we helemaal veilig en schadevrij weer terug zijn. We nemen nog wat foto’s van onze auto naast de ferry: geweldig om te zien, hoe nietig ons autootje dan wordt.
En dan rijd ik de boot op, op aanwijzingen van een mannetje van de ferry. Even later hoor ik een klap en wenkt een andere van de regelneven van de auto-ordening aan boord, dat ik moet stoppen.
Ja hoor: we kónden potdorie hier helemaal niet goed onderdoor: het stuur van mijn fiets, achterop onze auto, het steekt ietsje boven het dak uit, is tegen het dak van het autodek geklapt en is helemaal doorgebogen. En er is meer schade. De fietsendrager zelf is ook verbogen. En ook aan Fenny’s fiets zijn dingen stuk. De bevestigingen van de fietswielen zijn geknapt.
Zelfs de jongens van de ferry zeggen dat we het bij de bootmaatschappij moeten melden.

Goed, we zijn dus een tijdje hartstikke gefrustreerd aan het klooien met het weer goed vastzetten van de fietsen. En we realiseren ons ook nog, dat dit veel slechter had kunnen aflopen; het lijkt er nu op, dat we hiermee nog wel thuis kunnen komen. En onze vakantie (vooral v.w.b. het gebruik van de fietsen) zit er nu toch op. Ik reken er op, dat de verzekering alles wel zal dekken.
Maar stom en vervelend is het natuurlijk wel. Hopen dat mijn indrukken morgenochtend, als we weer van de boot afgereden zijn, worden bevestigd en we zo naar huis kunnen.

Hier eindigt het vooralsnog. Morgenochtend hitten we de road, richting Duitsland eerst, daar nog ergens een nachtje en dan naar Grunn!

Anna – Niccolo Ammaniti

anna - niccolo ammanitiAmmaniti is in Italië een gevierd schrijver en brak in Nederland al jaar of tien terug door met ‘Ik haal je op, ik neem je mee’. Er waren toen wat Nederlandse schrijvers die heulden met het boek, waarna het een kleine hype werd. Ik ging daarin niet mee; dacht dat ’t een typisch vrouwenboek was, o vooroordeel. Toen ik ’t uiteindelijk wél las, was ik er zelf ook nogal lyrisch over. En ben toen ook andere boeken van Ammaniti gaan lezen.
Ik zou wel eens m’n eigen recensies op dit weblog door kunnen lezen. Het stomme is per slot van rekening ook nog eens: ik heb eigenlijk geen idee mee, waarover de boeken die ik gelezen heb van Ammaniti gingen. Da’s wel erg. Ik vertrouw mezelf echter wel: ik vond het prachtige verhalen.
Dat was allemaal jaar of vijf, zes geleden. Ammaniti’s roman Anna kwam uit in 2015. Deze heb ik nu gelezen. Ik kreeg ook nu bij het lezen totáál geen gevoel van herinnering aan de andere boeken van Ammaniti. Waarschijnlijk komt het vooral door de scherpe en specifieke thematiek, totaal onvergelijkbaar met de andere boeken die gewoon spelen in een ‘normaal heden’. Anna speelt in een heel nabije toekomst, maar wel juist nádat een virus vrij snel de gehele volwassen wereldbevolking heeft uitgeroeid. Een zwaar apocalyptisch verhaal dus. Met Anna in de hoofdrol.

Ze is een meisje van 13, zorgend voor haar broertje van 8. Haar moeder heeft tijdens haar ziekte van enige maanden een hele waslijst aan instructies voor Anna opgetekend: hoe te overleven in deze wereld van chaos en desolatie.
In Luik, België, waren de eerste slachtoffers. De onderzoekers van het virus waren direct daarna ook de volgende doden en zo was er nooit tijd om er wat dan ook aan te doen: in ‘no time’ was de hele wereldbevolking dodelijk besmet. Ook de kinderen, maar zij worden pas ziek als ze in de puberteit komen. Ze noemen het de Rode Ziekte; het begint altijd met rode vlekken.

Anna’s struggle om te overleven, dat is waar dit boek over gaat. Is er dan nog een soort ‘plot’, een literair argument? Ik kom er niet goed uit. Ik weet wel dat ik zwaar gefascineerd door bleef lezen. Het leest als een film; Ammaniti schrijft goed. Maar wát ben ik nu eigenlijk aan het lezen? Wat is het meer dan het script voor zo’n megalomane rampenfilm?
Een andere referentie die bij me opkwam: Kruistocht in Spijkerbroek van Thea Beckman. Er zijn alleen maar kinderen in dit boek. Anna, het broertje en nog een vriend gaan op zoek naar de andere kant van Sicilië: misschien zijn er op het vaste land van Italië wél volwassen overlevenden. Of misschien hebben ze daar iets tegen het virus gevonden en zijn ze Sicilië vergeten? Er zijn kinderlijke redeneringen. Anna is nog niet zo ‘slim’ als Dolf van Amstelveen, moet je maar bedenken.
Ze komen verwilderde groepen kinderen tegen die al half naar tribale situaties zijn gegroeid, met vage aanvoerders en zo.

Nou ja, dat is wat blijft hangen. Het is een verhaal waarin ik aardig werd meegezogen, maar waarbij ik aan het einde denk: hmm, wat heeft dit nu eigenlijk écht om het lijf. Ik mis een diepere laag. En die diepere laag, ik mís ‘m niet alleen, hij ís er gewoon helemaal niet.
Anna komt uiteindelijk aan de overkant, in Calabrië, samen met haar broertje en hun hond. Daar treft ze tot haar verrassing de sportschoenen die ze zocht. Iemand had eerder verteld, dat specifiek dié schoenen het raadsel van het virus zou kunnen oplossen. En dat er dan een toekomst is.
Hiermee houdt het op.
Zul je zien, dat dit verhaal over vijf jaar wél is blijven hangen, terwijl ik toch zeker weet, dat Ammaniti’s andere romans veel betekenisvoller en mooier zijn.

Naar Sardinië – 2019 – 7. Cagliari en de bergen in

Agriturismo SOzzastru, bij Dorgali, 3 augustus 2019, 22 uur
En zo zijn we weer op een heel andere plek aanbeland, na een flinke dagtocht van Cagliari naar het midden-oosten van Sardinië, zo’n 200 kilometer, voornamelijk door de bergen. Bedoeling is dat we hier de laatste nachten op Sardinië door gaan brengen. Welke ‘uitjes’ er nog volgen, dat weten we nog niet. In ieder geval is ‘verpozing’ alhier niet al te moeilijk: een lekker zwembad op 30 meter van de auto. En het was heet. En het wordt weer heet. In de avond koelt het gelukkig lekker af.

(2 augustus 2019)
Linda, onze gastvrouw, nodigde ons bij ontvangst al uit om de volgende ochtend, deze ochtend dus, eerst koffie te komen drinken bij haar. Linda is een klein Indisch dametje, ze komt uit Bangladesh, is nu 12 jaar hier in Cagliari, getrouwd met een net gepensioneerde Sardijn; ik denk dat ze wel 25 jaar schelen. Ze hebben een veel te ruim appartement en verhuren 3 kamers via AirBnB. Een sympathiek stel. Zo zitten we aan de koffie met een schaal met verse vijgen erbij; ze komen rechtstreeks uit de eigen tuin. Overheerlijk.
Half uurtje later pakken we de fiets richting het oude centrum. We gingen ervan uit, dat het zo’n 4 kilometer zou zijn, een kwartiertje; Linda vertelt, dat er prima fietspaden zijn. Hmm, die treffen we dus niet en we gaan ook nog de verkeerde kant om een hoge heuvel, met burcht erop, heen; we verdwalen op een flink ziekenhuisterrein, raken verstrikt bij de autowegen – Cagliaria is écht geen fietsvriendelijke stad – en uiteindelijk nog het allerlastigste: we gaan de heuvel van de Castello van Cagliari op op de plek met veruit het grootste hoogteverschil. En zo komen we uiteindelijk aan de noordelijke kant bovenaan de stadsmuren en zijn oververhit en totaalbezweet. Da’s een fijn begin zeg! Maar afijn, we zijn er nu en het lastige deel zit erop.

Aan de noordzijde gaan we een oude poort door en komen op de binnenplaats bij het oude arsenaal, waar zich de musea bevinden, die we overigens niet gaan bezoeken. Wij zijn meer van het ‘stad bekijken’, op onszelf, met het verhaal uit de gids in de hand. Ja, cliché, maar er is geen vezel in m’n lijf, die zin heeft een museum op te zoeken, hoezeer ook geldt, dat je daar wellicht lekker kunt verkoelen. Het heeft wellicht meer te maken met de diepte van de interesse: die is in de kern enigszins oppervlakkig. Oei, wat ben ik een moderne wikipedia-belangstellende, ik geef het maar grif toe. (In de Peleponnesos, een maand terug, hadden we een dik boek bij ons, met kleine lettertjes, dat diep inging op de geschiedenis. We hebben er niet één blik in geworpen..)

Dit is Italië, het is lekker rommelig. Er zijn verkeerslichten bij de stadspoorten; er kan maar één rijrichting tegelijk doorheen. Kleine autootjes scheuren over het pleintje, waar wel vier poorten zijn, waarvan eentje richting het ‘kasteel’. Castello is de naam van het hoge gedeelte van de stad. De stadsmuren zijn nog zo goed als helemaal intact. Over de stadsmuren kijk je ver weg, écht ver weg. Enerzijds naar de benedenstad, maar verder ook naar de bergen op de achtergrond, naar de lagunes, naar de zee.
Door een paar smalle straatjes, waar we eerst nog een koffie staande drinken (ga je zitten, dan ben je ‘gast’, dan krijg je tafelservice, dan betaal je vaak 2 of 3 keer meer; zo gaat dat hier; leuk hoor om zo een staande koffie te drinken, samen met lokalo’s) en een fles bruiswater meenemen (dat doen we bijna standaard; ik heb ’t prikwater nu, op m’n 57e, feitelijk pas ontdekt; dronk het voorheen nooit). Dan komen we op het grote plein met links langs de uitgestrekte wand een ‘paleis’, waar nu de regionale overheid in zit. Er is een groep mensen met vlaggen, ze demonstreren voor een beter arbeidscontract.

Naast dit paleis bevindt zich de kathedraal van Cagliari. Een prachtige marmeren façade van maar ruim 250 jaar oud siert deze kerk. Van binnen is deze kerk helemaal overweldigend. De kansel en de crypte zijn 12e eeuw. Echt een bloedmooie kerk is dit. De crypte waarin je kunt afdalen is echt één en al versiering. Alle eeuwen hebben wel wat gebracht bij deze kathedraal.
Smalle straatjes in het oude centrum. Hier tref je geen winkeltjes, hier is het gewoon van zichzelf al museum genoeg; de commercie bevindt zich in de benedenstad, buiten het ‘kasteel’. Wandel je naar beneden dan eindigt het kasteel op een prachtig groot plein, dat eigenlijk een soort van ‘balkon’ is. Aan de kasteelzijde staat een 17e eeuws paleis. Aan de zuidzijde kijk je over het balkon naar de oude onderstad, het deel van het oude Cagliari dat aan de haven ligt. Aan een hoek van dit ‘balkon’ gaan brede trappen naar beneden. Je daalt daar een meter of 25 af en komt dan uit op een stadsplein in de onderstad. Draai je je om, dan zie je pas hoe deze entree van het kasteel eruitziet. Ze noemen dit het bastion. Het is een prachtig trappenpoortgebouw. Echt een majestueus bouwwerk. Het is, althans zoals het er nu uitziet, pas in 1903 gebouwd.
Beneden dit bastion nemen we even een terrasje voor onze eerste alcoholische verfrissing. Daarna de benedenstad. Deze is trouwens ook bepaald niet vlak en de smalle straatjes dalen nog zeker zo’n 40 meter af tot de promenade bij de haven. Ook hier zijn nog oude kerken in de straatjes te vinden en zelfs nog wat opgravings-sites. Hier woonden in de oudheid ook mensen. (In de buurt van Cagliari bevindt zich de oude Romeinse stad Nora, waar nog veel restanten te zien zijn; wij hebben dit overgeslagen.)
Waar het in de benedenstad vooral van wemelt: eethuisjes! We kijken nog even rond in een restaurantje en ons wordt direct, staande, een glas prosecco aangeboden, en een schaal chips erbij. Dit zou wel een erg fijn restaurantje zijn om te gaan eten, vanavond, maar we hebben andere plannen: Linda heeft gevraagd of we vanavond bij haar en haar man, Modesto, willen aanschuiven. We twijfelden nog wel even, maar besloten toch maar om Linda even te bellen, dat we toch met hun mee-eten vanavond.

We wandelen weer terug, eerst het bastion op, daarna door het Castello, terug naar onze fietsen. Want wij hadden nog een ander plan: op de fiets richting de flamingo’s. De flamingo’s zijn hier in de lagunes vlakbij de stad. Vlakbij de binnenstad begint een uitgestrekte baai met een 10 kilometer lang zandstrand. Ze doen er hier stoer over: het langste stadsstrand ter wereld. Later fietsen we een heel stuk langs dit strand, dat inderdaad kilometerslang vol mensen en kleurige parasols is.
Direct achter de toegangsweg langs het strand bevinden zich aan de andere zijde de verzilte lagunes. Het heeft er alle schijn van dat hier veel aan zoutwinning is gedaan, doch dat deze industrie geleidelijk is verdwenen. De lagunes zijn er wel. En daar bevinden zich de flamingo’s, die gek zijn op brak water.

We zijn al gauw bij een stuk water waar niet zozeer heel véél flamingo’s zijn, ze zijn echter wel hartstikke dichtbij. Ze staan op hoge poten hun nek sierlijk te kronkelen en maken ondertussen dat verschrikkelijke geluid, dat eigenlijk totaal niet past bij de sierlijkheid van het bewegen. Maar ja, die kromme snavel past er ook niet bij. Het is vooral de naam, de roze kleur en de sierlijke nek die de flamingo’s hun imago geven. En natuurlijk vast ook wel de wijze waarop ze in grote groepen weg kunnen vliegen. Een week eerder was dat een prachtig moment: toen een groep flamingo’s over ons hoofd heen vloog met wijd uitslaande vleugels.

Daarna nog een flinke fietstocht richting huis. Halverwege nemen we nog een terrasje. Vooral het laatste stuk valt zwaar. Google Maps toont hier geen fietsopties; we besluiten de slimste route voor wandelaars te nemen. Die blijkt dus langs de rondweg te lopen, waar echt geen fietsers kunnen fietsen. Uiteindelijk komen we zwaar verhit en vermoeid aan bij ons thuis voor deze avond.
We kunnen een half uurtje later, na even heerlijk te hebben gedoucht, aanschuiven bij Linda en Modesto.

Het is echt niet normaal wat ons toen nog ten deel viel. We zaten in een soort patio in een overdekt deel van de tuin, waarin de bomen en planten staan, waar ze het meeste voedsel dat ze gebruiken direct kunnen plukken. Denk aan die heerlijke vijgen van vanochtend. Wij hadden notabene een flinke zak druiven mee, als presentje. Wat zien we daar in de tuin: een flinke uit de kluiten gewassen druivenplant die kronkelt langs het dakje, vol met trossen druiven.

Linda heeft een voorafje op tafel gezet: gefrituurde kleine hapjes van ui, de bloem van de oeps-wat-ook-alweer en ook nog van blaadjes van een bepaalde boom. Echt heel apart en lekker cross-over van de Aziatische keuken, waarmee ze is grootgebracht.
Modesto schenkt de witte wijn. Maar hij biedt ons eerst nog een exquise appetizer aan: een rauwe mossel met citroen. Nog nooit gegeten op deze manier. Bijzonder.
Het tweede hapje is een heerlijke spaghetti met een heel erg romige saus, waarbij Modesto het verhaal vertelt, dat ik inmiddels vergeten ben. De saus komt van de eieren van een bepaald zee-beest, maar ik weet niet meer precies wat. Het is in ieder geval onwijs smaakvol.

En toen kwam er ineens een hele pan mosselen.
En toen die op was, kwam Linda met een volle pan met heerlijke sardientjes! Niet normaal zeg!!

Daarna nog een heerlijk ijstoetje en Modesto schonk ‘filu e ferro’. Dit is een eigen brouwsel, sterke drank, een soort grappa, van druiven dus. De achtergrond van de naam, Modesto vertelt erover: file e ferro betekent dus ijzerdraad. Er was een tijd van drooglegging, waarin men illegaal dit goedje stookte. Om niet betrapt te worden, deed men het in flessen, waaraan men een ijzerdraadje vastmaakte. Met begroef het in de mestvaalt en alleen het ijzerdraadje stak er nog bovenuit. Zo wisten de mensen de controles te omzeilen en toch de drank terug te vinden.

Tijdens het eten aangename gesprekken, vooral met Modesto, want Linda loopt meest te redderen met het eten en de bediening. Deze man heeft ook veel van de wereld gezien, ging in de jaren zestig als hippie naar Amsterdam en was later als waterbouwkundig ingenieur vaak jarenlang in vreemde landen om z’n deskundigheid te baat te maken. Maar zoals bij de meeste Italianen die we spreken: ze zijn beter in praten dan in luisteren.
In ieder geval: geen spijt van deze avond. Het is een geweldige maaltijd; echt de beste die we de afgelopen weken hebben gehad. En de persoonlijke ambiance doet daar natuurlijk ook geen afbreuk aan. We worden finaal in de watten gelegd.

(3 augustus 2019)
(ik schrijf de volgende ochtend, 4 augustus, weer even verder)
’s Morgens nemen we afscheid van Linda en Modesto, wederom met koffie aan de keukeltafel en om half negen zitten we in de auto, rijden noordelijk via de snelweg Cagliari weer uit. Op grote delen van de snelweg moet je 50 rijden; later rijden we in de bergen, waar je nauwelijks voorbij de 3e versnelling komt komen en daar mag je 90. Wat je natuurlijk nooit haalt.
De eerste etappe is een kilometer of 50, tot Barumini. Vlak buiten Barumini bevindt zich de enige Unesco-worldheritage-site van Sardinië: de meest spectaculaire nuraghe op het eiland. Daar is tevens een museum bij.
We zien de nuraghe al vanaf de weg, hij is inderdaad indrukwekkend groot. De entree is 12 euro, maar gelukkig is daar ook een ‘guided tour’ bij. Deze levert uiteindelijk op, dat we het museum overslaan. Het leek er eerst op dat we in een klein groepje van 6 man zouden zijn, maar potdorie, een paar minuten voor 10 stroomt er nog even een kleine tourbus leeg. Anyway: toch een prima tour over het terrein, geleid door goed Engels sprekende Michaela.

Ze vertelt het verhaal over de geschiedenis van de nuraghe in Sardinië. Er zijn er bijna elkaar wel zo’n 8000 geweest. Het waren geweldige verdedigingswerken. Met conische torens om elkaar heen, binnenplaatsen ertussen. Alles opgebouwd met droge steen, veel intelligentie bij de constructie die ook zonder ‘bindmiddel’ oerstevig was. Om de torens heen staan de restanten van de huizen.
Deze nuraghe is, zo is afgeleid uit de datering van het hout dat men voor de scheiding van verdiepingen gebruikte, zo’n 3500 jaar oud. De maximale hoogte van deze nuraghe is 19 meter. Om de nuraghe nu goed te laten zien, zijn er metalen trappen omheen en in gebouwd. Op de centrale binnenplaats bevindt zich het belangrijkste om te verdedigen: een 15 meter diepe waterput.
Als je bovenop de nuraghe bent heb je mooi zicht op de vindingrijke en esthetische constructie van het ‘dorpje’ dat het feitelijk geweest is.
De nuraghe zijn het volk dat hier eertijds leefde. Een voor de hand liggende vraag: tegen wie verdedigden ze zich dan? Het blijkt dat ze zich domweg verdedigden tegen…. elkaar.

We rijden verder noordoostwaarts, richting de bergen. Komen eerst door Laconi, waar we nog voorbij rijden, daarna bij Aritzo, dat al echt tegen een bergwand aangeplakt ligt. De hoofdweg gaat er dwars doorheen, al is-ie hier zo smal, dat we een paar keer op tegemoetkomend verkeer moeten wachten, maar dit lijkt de enige straat die niet ofwel heel smal en steil tussen de huizen door gaat, ofwel uit traptreden bestaat. We dwalen een beetje rond. Het ziet er supergezellig uit, ook doordat om 12 uur ’s morgens hier al veel mensen in de kleine barretjes zitten, aan koffie, maar ook aan biertjes. Het zal ook wel zijn doordat het zaterdag is. Ook hier tref je trouwens zomaar een enorme muurschildering aan; het lijkt wel een beetje een eiland-traditie, deze ‘murals’.
We vinden hier echter geen goede pranzo (lunch), maar worden door iemand in een bar verwezen naar een goeie plek een dorpje verderop. Dat dorpje het Belvi en dat ligt eigenlijk bijna tegen Aritzo aan. Wat we daar aantreffen overtreft al onze verwachtingen.

Dit is een eettentje annex klein hotel, waar ze een pranzo-menu hebben voor wandelaars voor 10 euro en een voor ‘toeristen’ voor 15 euro. De laatste betreft drie gangen, de eerste een antipasti-menu, met wijn. We kiezen toch maar voor de antipasto, krijgen een paar schalen met kaas en vlees, een schaal met gebakken groente, wat deeghapjes en brood voorgezet. En een kan met potdorie een liter wijn. We zitten hiervan te smullen en krijgen het maar nauwelijks op! Nog een espresso tot slot en we zijn twee tientjes kwijt! Dit is echt een aanrader. Misschien leuk om hier dan ook een nachtje te blijven (overnachting met diner en ontbijt = 60 euro).
Bij het restaurantje vond trouwens ook nog een ‘workshop’ pastamaken plaats. Daar zaten aan een tafel vier mensen pasta te snijden en met een houten plankje met insnedes de juiste vorm te geven.

We vervolgen onze tocht door de bergen, waar we regelmatig prachtige vergezichten genieten, over passen gaan boven de 1000 meter. Langs de weg op de top van een berg treffen we een grote stenen bak, waar het bergwater direct ‘aan de tap’ met een kraan wordt aangeboden. Superkoud en heel zacht water.
In Desulo is TomTom even de weg kwijt, wil ons leiden door het centrum van het dorp, waar auto’s echt de draai langs de middeleeuwse kerk niet kunnen maken. De mensen daar weten het ook: toeristen worden altijd fout gestuurd. Zowel vanaf onder als vanaf boven, langs de haarspelbochtenweg langs de berghelling, is het fascinerend om te zien hoe de dorpjes tegen de hellingen aangeplakt liggen.

Bij het dorpje Fonni, waar Fenny nog even voor gaat staan, met haar hoofd voor de ‘o’, slaan we af richting Orgosolo. Dit dorp staat in onze boekjes, moet een bezoek waard zijn. Een eeuw geleden heeft dit dorp zich verzet tegen de overheid, vooral om de belangen van de boeren te verdedigen. Dit dorp heeft toen iets ‘onverzettelijks’ gekregen en later zijn ze het ‘het bandietendorp’ gaan noemen. Uit die eerste periode stamt de traditie om het ongenoegen kenbaar te maken op muurschilderingen, wat weer geleend is van de Mexicaanse traditie van de vrijheidsstrijders in het begin van de 20e eeuw. In Orgosolo is het tot kunst verheven, zelfs nog wel wat meer dan in San Sperate. In een boekje lees ik, dat er op Sardinié vier dorpen zijn, die zich hebben geprofileerd met vele muurschilderingen.
Maar zoals je ’t in Orgosolo aantreft, dat is echt heel bijzonder. We hebben echt heel veel prachtige muurschilderingen gefotografeerd. De meeste refereren aan maatschappelijke toestanden. Eentje met de nine-eleven torens, maar ook eentje met Jozef en Maria en baby Jezus op een ezel, afgebeeld als ‘ongewenste vreemdelingen’ (kijk, zo gaan we met vreemdelingen om). En veel over kapitalisme versus socialisme. Maar daarnaast ook veel volkse schilderingen en schilderingen die verwijzen naar de negotie in het betroffen pand. Veel van de schilderingen zijn geënt op de wijze waarop Picasso mensen schilderde, de drie dimensies tot eentje terugbrengend door alle kanten op te schilderen.

Hier anderhalf uur rondwandelen is een feestje, om elke hoek tref je weer wat anders. Ik koop er een boekje over, om het hele verhaal tot me te kunnen nemen. Daarin staat een foto van een rotsschildering, waar we ook nog langsrijden als we Orgosolo weer verlaten. We vinden ‘m op de hoek van een haarspeldbocht, met zicht op een diep dal. Wat een mooie wereld hier! Wat leuk om natuur en gewonemensenkunst zo dicht bij elkaar te brengen.

Bij Dorgali laten we ons nog eens een verkeerde kant op sturen, niet goed opgelet, teveel vertrouwend op TomTom, die je niet goed helpt als er geen straatnummering bekend is van je eindadres. Dat leverde echter wel op, dat we een aardig stuk reden op de SS125 van Dorgali naar Baunei en die weg is geweldig spectaculair. De weg loopt hoog langs een bergkam met een geweldig uitzicht op de bergen westelijk, in de buurt waar dus ook de Goroppu-kloof is. Dat is één van de diepste/hoogste kloven in Europa. Je moet echter wel een paar uren wandelen om er überhaupt te komen. Ook dat bewaren we voor een volgend bezoek aan Sardinië, als het niet zo heet is. We zijn er inmiddels wel over uit, dat Sardinië echt nog veel mooier en bijzonderder is dan we vooraf hadden gedacht en verwacht. Het is absoluut ons plan om hier nog eens een weekje terug te komen, dan met vliegtuig en huurautootje.

Het is al tegen achten als we aankomen bij Agriturismo Z’Ossatru, ietsje noordelijk van Dorgali. Hier installeren we ons op een plek die eigenlijk niet zo bekoorlijk lijkt als waarop we hadden gehoopt; de echt mooie plekjes zijn helaas al vergeven.
Inmiddels 8 uur in de morgen, het is nog stil op de camping; alleen de duiven in de boven hoog. Over een uurtje zal ’t wel heel anders zijn. Deze dag waarschijnlijk niet erop uit. Voor morgen nog wat plannen maken en dan dinsdag weer richting Porto Torres. Time flies.