Vanuit Ghana (33) – Dagje Accra en thuisreis

Accra, 5 december 2016, 21.30 uur

Zo krijgt m’n reis aan het einde nog een onverwacht en enigszins onaangenaam staartje in de vorm van een vliegvertraging van vijf-en-een-half uur. En daardoor schrijf ik dit nu vanaf een hotelkamer in Accra. TAP, de Portugese vliegmaatschappij, heeft mij en nog een hele bunch andere reizigers hiernaartoe gebracht. Zou je denken dat dit hotel wel op het terrein van het vliegveld is. Niet dus. En zo zat ik wéér in een taxi in de file, net zoals een paar uren eerder, onderweg van Victoria’s huis naar het vliegveld. Mijn hemel wat een chronische verkeerscongestie in Accra!

Vanmorgen toen ik wakker werd, was Lidewij net uit Nederland gearriveerd. Ze gaat de komende maanden in Bolgatanga bij Youth Harvest Foundation aan het werk. Haar vliegtuig was om een uur of vijf gearriveerd en Victoria had haar opgehaald van het vliegveld, zoals ze dat met alle Ontmoet Afrika-klantjes doet.
Buiten trof ik Victoria, Lidewij en de drukke jochies van Victoria aan. Leuk om zomaar weer een bekend gezicht te zien. We zitten totaal in tegenovergestelde modus: ik bijna weg, zij komt net aan. Victoria maakt een groenteomelet voor ons, met geroosterd brood.

Vandaag, op mijn laatste dag, krijg ik een mooie blik in de keuken van de Ontmoet Afrika-0512-het-bankstel-van-victaken van Victoria. (Blikje in de kámer van Vic is ook leuk: zo kan een bankstel er in Ghana uitzien! ‘k Heb ’t inderdaad vaker zo meegemaakt!) De meeste vrijwilligers blijven 2 nachten bij Victoria, komen op een avond aan, gaan de volgende dag met Victoria alle zaken regelen, en vliegen de navolgende morgen uit over het land. Ah, niet vliegen natuurlijk; ze gaan bij uitstek met de bus, ook al is dat in het verste geval, zoals met Lidewij/Bolgatanga, een busreis van zeker 15 uren.
0512-de-zoontjes-van-vicWat behelst de regelarij? Ten eerste de geldzaken, dus naar de bank. Ten tweede alles rondom de telefonie, dus het kopen van een Ghana-simkaartje en dat uitbreiden met data opdat je ‘m ook als hotspot kunt gebruiken en met je laptop op internet kunt. Ten derde: het juiste busticket kopen voor de reis het land in.
Daarnaast geldt dat Victoria voor alle vrijwilligers die in de gezondheidszorg aan de gang gaan een vergunning moet regelen bij het ministerie. Een formaliteit, maar wel eentje die enige tijd kost.
Deze toestanden worden nog wat opgeleukt met een halve middag de stad verkennen, de markt en meer, en daarna naar het stuk strand bij de stad dat voor toeristische doeleinden opgekalefaterd is. Eventueel kun je nog lekker de zee in ook.

0512-vieze-stadDit programmaatje liepen we dus af, deze middag. Het gebied bij het riool-achtige, bijna drooggevallen en intense smerige en stinkende kanaal noemde Victoria ‘het industriegebied’. Eigenlijk een erg naargeestig gebied, maar het fascineert ook. Her en der verkeers-‘fly-overs’ met toeterende en stinkende oude taxi’s en vrachtwagens. Lidewij en ik zien erg veel oud materieel dat eertijds jaren door Nederland tufte, wat gewoon nog te zien is aan de bedrijfsnamen op de zijkant: v.d. Werff, Nijssen.
0512-in-accraWe nemen na de bank- en telefoonzaken een trotro verder de stad in. Dat schiet geen meter op. In alle straatjes in de stad staat het verkeer vast. Daarom toch maar gewoon de benenwagen, da’s ook veel leuker.
Victoria bracht ons langs de ‘arts & crafts’-markt. Ben altijd beducht voor dit soorten markten, maar hier moet ik eerlijk bekennen, dat de verkooplui niét te opdringerig waren, ook al waren er totaal geen andere toeristen op de hele markt. Sowieso in de stad nulkommanul blanken gezien. Die zie je vervolgens weer wel als je bij de strandtenten komt.

In de stad was het vooral nogal feestelijk druk. Nog maar een paar dagen tot de verkiezingen. Her en der worden grote volksoplopen georganiseerd. Het is een getoeter van jewelste en uit alle auto’s, vanaf alle brommertjes en vanuit groepen enthousiaste 0512-verkiezingendruktejongeren op de stoep. Ik koop voor de gein ook nog een sjaaltje van NDC, de partij van president Mahama. Bij het grote onafhankelijkheidsmonument, bij een groot plein, komen veel mensen samen. Hier zal deze middag een flinke bijeenkomst plaatsvinden. Ik begin zelf inmiddels ook erg nieuwsgierig te worden naar het verloop van deze verkiezingen, a.s. woensdag. Het blijft echter wel opvallend, dat je met iedereen kunt discussiëren over deze verkiezingen, doch dat ik nog niet één keer een overtuigend verhaal heb gehoord. Mijn taxichauffeur van zonet was daar ook weer een voorbeeld van. Nee, ik wil dat de president gewoon door kan gaan met regeren, want die andere wil ‘verandering’ en van verandering komt altijd alleen maar onheil. Dat is zo’n beetje de strekking.

Rond een uur of drie komen we met de trotro uit bij het mooie stuk strand, waar alle 0512-aan-het-strand-met-vicstrandtentjes zijn en waar ook wat grote hotels zijn te vinden. Het centrum van de stad ligt ook tegen de zee aan, maar hier wordt zee en stad door een vaag en lelijk braak gebied gescheiden. En daar doorheen een drukke verkeersweg. Het ‘mooie strand’ is een kilometer of wat oostelijk.
Tijd voor een lekker lunch aan het strand. Fijne laatste middag zo!
Natuurlijk worden de toeristen op het strand flink lastiggevallen door muzikanten en sieradenverkopers. En dat eeuwige geschipper tussen niet willen bruuskeren en ook niks willen kopen. Vermoeiend.
Het verschil tussen net in Ghana zijn en bijna weggaan: ik doe een moord voor een heerlijk bord frieten; Lidewij neemt een bord met yam!

Terug wilde Victoria met de trotro naar huis; dat zouden er dan ook twee achtereenvolgens zijn. Lidewij en ik stellen voor een taxi te betalen. Dat was geen slechte keus: zelfs met de taxi deden we er verdorie een uur over om weer thuis te komen, aan de andere kant van het centrum. Hier had zelfs Victoria de boel flink onderschat. Tja, die verkiezingen!

0512-vic-aan-kokenVictoria maakt thuis nog een lekker bord noedels met groente en ze had inmiddels ook Bismarck gebeld, m’n taxi. De vader van deze jongen heeft een tijd in Duitsland gewerkt en heeft daarna z’n zoon Bismarck genoemd. De jongen is apetrots op z’n naam.
En zo was ik om 7 uur op het vliegveld. Nog een uur of vier en dan word ik er wederom naartoe gebracht.

In de trein bij Almere, 6 december, 18.30 uur

Gedoe met reizen = = je gewoon overgeven aan wat er gebeurt. Doe je het niet zo, dan kun je koppijn krijgen. Dat wil ik niet. En dat is ook niet nodig. De gebeurtenissen volgen zich vanzelf wel op, eindigend in het steken van de sleutel in mijn eigen deur, thuis. Straks dus.

Nou, TAP, dat is ’t voor mij niet echt. Natuurlijk kan een technisch mankement altijd gebeuren. Maar de hele scene met dat hotel vond ik ook maar vervreemdend. We konden alleen maar van het buffet nemen, terwijl eerder een andere hoteljongen de menukaart had uitgedeeld. Dus fried rice of jollof met een kippenpootje. En een biertje was ‘not included’. Wel later een bonnetje tekenen, waarop staat dat TAP dit hotel 50 cedi rekent voor deze maaltijd. Absurd.
Toch een aardige schadepost voor zo’n luchtvaartmaatschappij, zou je denken. Anderzijds: TAP is de karigheid ten top. In de navolgende intercontinentale vlucht, 5 uur en 40 minuten: géén hapje en géén drankje. Helemaal niks!
Het vliegtuig vertrok uiteindelijk tegen 5 uur in de morgen (geplande tijd was: 22.30 uur). Gelukkig werd er ietsje teruggewonnen: ‘k had anders 4 uren overstaptijd in Lissabon, dat waren er nu ‘slechts’ 3. In Lissabon kregen we wel weer allemaal een lunchbon van een tientje. Ordinair ingewisseld voor een Pizzahut-menu.

De laatste vlucht ging lekker snel. Ik verdween in m’n boek en vergat reis en tijd. Sowieso: in zo’n laatste fase geldt een situatiespecifieke emotie, die ik inmiddels goed herken. Even is Ghana…, even zijn allen ervaringen van de afgelopen maand een eind weg, helemaal gericht zijnde op thuiskomen, als een hond die z’n kluif ruikt en dan aan niets anders meer wenst te denken.

== // ==

Vanuit Ghana (32) – Terug naar Accra

Accra, 4 december 2016, 19 uur

Het zit er bijna op! Terug in Accra.
Eigenlijk een stad die ik nog helemaal niet ken. Wel in mei een keertje met Henry hier in de stad geweest, maar daar toen alleen een westerse shopping mall, bij de Nederlandse ambassade langs en het huis van z’n vrouw bezocht. In het centrum van de stad ben ik nog niet geweest. Weet niet precies of het daarvan morgen komt, als ik met Victoria, die voor Ontmoet Afrika de vrijwilligers eerst in Accra opvangt, en Lidewij, een vrijwilliger die morgenochtend vroeg uit Nederland aankomt, de stad in ga voor de zaken die zij met en voor Lidewij regelt. Zinvol voor mij om te zien, wat ze doet en hoe ze dat doet. Krijg ik 0312-lizardmeer zicht op hoe dit onderdeel van het hele Ontmoet Afrika-arrangement eruitziet. Victoria zag ik vanmiddag niet voor het eerst: ze was er ook bij bij KITA, bij onze conferentie.

Gisteren een geweldige aanleundag genoten bij de One Love Foundation. Werkelijk niéts ondernomen, alleen maar van het paradijsje daar genoten. Veel gelezen, veel geluierd, veel liggen bespiegelen in de loungehoek; de hele afgelopen maand nog wat keren in gedachten gewenteld en gekeerd.
0312-vissen2Ondertussen waren ’s morgens veel vissers met elkaar bezig een flinke vangst uit zee binnen te halen. Dat ging op de manier zoals ik het ook al eens had zitten observeren op het Victoriameer. 0312-vissenEen flinke groep trekkers aan de ene kant en een flinke groep aan de andere kant. Een flink stuk de zee op hebben ze het hele net uitgeworpen. Vanaf twee kanten trekken ze het, alsof het een touwtrekwedstrijd in een boemerangvorm is, langzaam het strand op. Dat duurt een flinke tijd. Te lang om er de hele tijd naar te kijken. Dus eerst een tijd naar het touwtrekken gekeken. En daarbij bedacht: doen ze dit nu wel op een slimme manier? 0312-bij-de-vissers2Bij touwtrekken werk je in een gecoördineerde inspanning: allemaal tegelijk trekken (één-twee-trek-één-twee-trek). Deze vissers deden het niet zo. Iedereen zo’n beetje voor zich. Volgens mij krijg je dan veel minder effectieve kracht. Maar ja, dat zal wel mijn betweterig-koloniale buitenstaandersblik zijn.
Een paar uur later ben ik er weer even voor uit mijn luie stoel geklommen, er weer heel gewandeld samen met Indy, die zo één van de jongere meisjes van Willie en Max had kunnen zijn. Tjee, wat een vangst zeg! 0312-bij-de-vissersEnorme stapels kleine witte visjes. Zo’n 90% van de vangst bestaat uit deze visjes, allemaal even groot, een centimeter of 7, 8. De overige 10% bestaat uit een variëteit van andere vissen, de grootste was zo’n 75 cm en een flink getande roofvis.
De vis gaat in grote aluminium teilen die vervolgens op het hoofd van de vrouwen terecht komen. Brendan heeft me uitgelegd dat een derde van de vangst voor de neteigenaar is, een derde voor de booteigenaar en het overblijvende deel in nature voor alle vissers. Ik bedacht mezelf: tjee, je moet er dan toch álles aan willen doen een boot- of neteigenaar te worden. Het zijn hier duidelijk weer de hardste werkers die er niks of nauwelijks wat voor krijgen!

Verderop in de middag en later ’s avonds weer uren zitten kletsen met Brendan en Stefny. Ze zitten in een vreemde periode: zijn hier nog een paar laatste maanden. Dan vertrekken 0312-ontbijt-op-het-strandze naar Kijkduin voor een volgend leven. Laten dit hele paradijs achter zich. Brendan heeft alles met z’n eigen handen gebouwd en geeft daar verder nu niks meer om: het is maar hout, het is maar materiaal. Het is mooi geweest, maar nu gaan Indy naar school en wordt alles anders. Hij gaat weer studeren; Stefny gaat weer aan het werk in de zorg in Nederland. Tja, na 10 jaar hier op het strand te hebben gewoond. Heel bijzonder!
Indy heeft heel veel zin in ‘Nederland’. Hoezeer ook geldt dat ze zich hier als een kip in het water voelt, helemaal thuis is, de hele dag loopt te rennen met een lokaal vriendje (dat ze over een paar maanden wellicht ook nooit meer ziet) en uren in de zee aan het spelen is. Ze is maar een jaar of vier. Ze heeft ook veel zin in ‘witte vriendjes en vriendinnetjes’. Zij voelt op haar eigen onbestemde manier heel goed, dat ze met ‘soortgenoten’ (straks) een heel andere verhouding zal krijgen dan met de Ghanese kinderen, zelf een totale ‘andere’ zijnde.

Brendan vertelt me uitgebreid z’n ervaringsverhalen uit het leven hier. Zo loopt hier een ‘caretaker’ rond, genaamd Rusty. Hij houdt vooral het hele terrein netjes. Hij ziet er een beetje als een rasta uit, maar dat brengt slechts een schijn van internationaliteit. Deze Rusty nam de afgelopen jaren nog weleens honneurs waar, als Brendan en Stefny een maand naar Nederland waren. Eén keer had hij ook z’n vrouw meegenomen naar het strand. In een hutje van riet verbleven ze op het terrein onder de palmbomen. Op een dag kregen ze een bericht van iemand uit het dorp; Rusty z’n vrouw lag maar ziek te zijn in het rieten hutje. Ze werd helemaal geel. Wat is er aan de hand? Nog wat dagen later lag ze dood in het hutje.
Stefny had Rusty aan de telefoon, ze was er gewoon enigszins overstuur over. Maar Rusty kalmeerde Stefny: het was helemaal niet zo nodig om hier zo bezorgd over te zijn. Hij zei: I will sure get a new wife soon. De handenvol andere anekdotische verhalen van Brendan zingen op snaren met totaal andere klanken, maar brengen dezelfde combinatie van verwondering, afschuw en vervreemding. Het leidt allemaal naar één groot besef van het daar-zijn van die onoverbrugbare kloof tussen Afrika en ‘ons’. Moeilijk hoor om altijd maar, alsof er een overstijgende grootheid is die je continu mentaal op de proef aan het stellen is, deze confrontatie aan te gaan, dat gevecht tegen datgene wat diep in jou, als westers opgevoed mens, zit en wat, tegen wil en dank, zo graag ‘beoordelen’ wil.

’s Avonds kwam er een flinke onweersbui over. Aan alle kanten weerlicht, ook ver op zee. Mooi schouwspel.
Nog later lag ik op bed en keek over m’n tenen heen onder de palmen door naar de nog flauw door een maantje verlichte branding. Dit beeld op m’n netvlies vastzetten, denk ik bij mezelf. Kijken of ik het goed bij me kan houden.

Vanmorgen weer een tijd zitten lezen op de veranda, alvorens de familie ook het bed uit kwam. Brendan roostert broodjes en ik geniet van een laagje kakelverse zelfgemaakte sambal onder het ei met tomaatjes en komkommer. Paar koppen koffie erbij.

0412-bij-de-laguneTime to travel.
Ik neem afscheid van Brendan en hij laat me voelen, dat hij het fijn vond dat ik er was. Stefny brengt me met de pickup-jeep naar de andere kant van het dorpje – Indy staat als een echte inlander in de bak van de jeep – waar een pontje is over de lagune. Aan de andere kant staan veel vaker taxi’s te wachten dan in Asaafa. Het is ook nog eens zondag, dus stuk beter om deze kano-ferry te nemen.
0412-in-de-kanoferryHet veerpontje moet nog even opgehaald worden: het is afgedreven. Een man zwemt er naartoe en komt enige minuten later er weer aangeroeid met het bootje.

Aan de overkant hoef ik maar 10 minuten te wachten tot de taxi vol is en zo’n drie kwartier later ben ik weer terug bij de rotonde in Mankessim. Wéér heb ik mazzel: een trotro naar Accra is al bijna helemaal vol en ik kan en mag weer naast de bestuurder zitten (met m’n lange benen).

Zo’n 100 kilometer naar Accra. Langzaam neemt de drukte toe en ik heb domweg het gevoel, dat ik totaal geen zin heb in de stad. De rommelige, viezige, veel te drukke stad. Heb nog mazzel: het is op andere dagen dan deze zondag vele malen drukker.
Nog even een taxi en dan blijk ik ineens al veel dichter bij het huis van Victoria te zijn dan ik had gedacht. Moeten we nog een taxi aanhouden?, vraag ik haar. Maar ze zegt: nee joh, we lopen naar m’n huis!
0412-bij-victoriaEen heerlijk rommelig huisje. Ik moet eigenlijk nog even wat foto’s maken van het bankstel om de televisie heen. Zo’n afgeragd bankstel heb je echt nog nooit gezien! Victoria biedt me een hartverwarmend welkom en haar twee jongste zoontjes maken het helemaal bont: ze zijn niet weg te slaan, trekken de bril van m’n neus en het boek uit m’n handen! “Is it OT of NT”, vraagt een van de jochies. Wat bedoel je? Ik vraag door. Ah, oude of nieuwe testament! Ach jongen, er zijn meer boeken dan alleen de bijbel!😉
Wat een heerlijk enthousiaste bende hier! Er is ook een lome moederhond met een nestje puppies. 0412-hondjesNa een uurtje krijg ik een heerlijk bord met groentepaghetti. En vanavond een paar dikke rijstballen in de pindasoep.
Victoria heeft net buiten deze compound aan de straat een drankwinkeltje. Heb een paar heerlijke koude biertjes gedronken.

Het kamertje waar ik nu ga slapen is tevens één van de twee kamers die Victoria vrij heeft om de vrijwilligers uit Nederland op te vangen. Een flinke fan staat achter m’n rug te loeien. Da’s nodig! Ga ik even uit de windrichting van de fan, dan barst het zweet weer uit. Ik realiseer me dat ik de laatste week verschrikkelijk aan het zeuren ben (alleen tegen mezelf) over de klamme hitte hier. Het is waar: ik kijk inmiddels flink uit naar de Hollandse koude.

David Mitchell – De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet

jacob-de-zoetMeer dan 2 weken flink in de ban geweest van dit prachtig geschreven historisch epos van David Mitchell, bij mij al bekend van Wolkenatlas en nog één of twee andere dikke pillen. Dit boek is ook ruim 600 bladzijden.
Van de Nederlandse handelspost Deshima had ik nog nooit gehoord. Als je leest welke impact en historische betekenis dit heeft gehad, dan schaam je je er bijna voor. Tot halverwege de 19e eeuw was Japan feitelijk bijna helemaal afgesloten van de rest van de wereld. De Japanners mochten er niet uit, de buitenlanders mochten er niet in. Andere religies dan de eigen waren al helemáál uit den boze. Gedurende ruim 250 jaren voorafgaand aan halverwege de negentiende eeuw was er eigenlijk maar één ‘toegangspoort’ tot Japan: Deshima. Een Nederlandse handelspost op een kunstmatig eilandje bij Nagasaki. Op deze plek speelt deze roman zich af, rondom het jaar 1800.

David Mitchell is iemand die zich heel goed documenteert. Hij heeft een jaar of tien geleden een half jaar in Wassenaar en Leiden in historische archieven ‘geleefd’ en op basis daarvan dit verzonnen verhaal gebaseerd op een situering en een context die werkelijkheidsgetrouw is. Jacob de Zoet is erop uit gestuurd om de corruptiepraktijken van de VOC-vertegenwoordigers uit Nederland, voor jaren gezeteld in Deshima, aan het daglicht te brengen. Dat wordt hem ter plekke natuurlijk niet in dank afgenomen en na een eerste op het oog succesvolle ontmaskeringspraktijk wordt hij natuurlijk flink geslachtofferd door de betrokken baasjes, die op grote afstand van het thuisland zich liederlijk particulier aan het verrijken zijn.
Daartussendoor speelt een intense ‘op afstand’-verliefdheid jegens een Japanse vroedvrouw. Het is vanzelfsprekend ook zwaar taboe voor de Nederlanders om een relatie met een Japanse aan te gaan, afgezien natuurlijk van de concubines, maar dat is wat anders.

Regelmatig vergaat de jaarlijkse handelsproductie – die past op één groot schip – in de stormen op de Zuid-Chinese Zee. En zijn ook andere naties aan het azen op een handelsrelatie met Japan.
Uiteindelijk krijgt Jacob zijn momenten van ‘glorie’ en manmoedigheid.
Maar in de kern gaat het bij deze roman meer over de fantastische vertelkunst van Mitchell, vol van subtiliteit. Eigenlijk is de hele communicatie tussen de Japanners en de Nederlanders één groot spel van op eieren lopen en het ‘lezen’ van bedoelingen tussen de regels door. Mitchel geeft deze subtiliteit met heel veel humor vorm. En zo heb je een verhaal, dat door 1000 schrijvers zou kunnen worden verteld, maar door waarschijnlijk niemand zó mooi als door Mitchell.
Bovendien krijg je als lezer een dijk van een geschiedenisles. Een les die je altijd bij zal blijven.

Trouwens, absoluut niet alleen over Japan of over de Japans-Nederlandse betrekkingen in die eeuwen. Nee, ook gewoon over…. de Nederlandse volksaard. Huiver eens goed bij het volgende citaat uit het boek. Ter inleiding: vóórdat het de Nederlanders absoluut verboden werd om zelfs nog maar een psalmenboek in Japan aan land te brengen, waren er al flinke hoeveelheden Japanse zielen voor het Christendom gewonnen. Japan wilde van deze Japanse christenen af en door wie en hoe konden ze dat het beste laten doen?
[blz. 553]
“’Kort nadien”,’ leest luitenant Talbot, gezeten op de bank bij de patrijspoort in de kajuit van de kapitein, hardop voor uit het boek van Kaempfer, terwijl Rafferty, de barberot, een scheermes over de kaken van de kapitein haalt, “in 1638, ontzag dit heydensche hof zich niet de Hollanders op verdoemelijke wijze op de proef te stellen teneinde na te gaan of zij zich meer gelegen lieten liggen aan de bevelen des Shoguns dan aan de liefde voor hun mede-Christenen. De vraag was of wij het Rijk wilden bijstaan in zijn pogingen de inheemsche Christenen te vernietigen, van wie de omtrent veertigduizend die er nog restten zich, wanhopig vanwege hun martelaarschap, in een oude versterkte veste in de provincie…”’ – bij dit woord aarzelt Talbot even – “’…Shimabara hadden teruggetrokken en aanstalten maakten zich daar te verschansen. De aanvoerder der Hollanders…”’ – opnieuw hapert Talbot”’…Koekebacker begaf zich in hoogsteigen persoon naar de plek en vergastte de belegerde Christenen gedurende twee weken op vierhonderd en zesentwintig onvervalste kanonsalvo’s, zowel vanaf land als vanaf zee.”’

‘Ik wist dat die Hollanders schofterige geldwolven zijn,’ – Rafferty knipt de neusharen van Penhaligon met zijn chirurgijnsschaar – ‘maar dat zij christenen zouden afslachten omwille van handelsrechten gaat werkelijk ieder begrip te boven, kapitein. Dan kan met net zo goed meteen zijn ouwe moer aan een lijkensnijder verkopen.’

‘Zij zijn het westerse volk met verreweg de minste scrupules’ [antwoordt kapitein Penhaligon]

Vanuit Ghana (31) – One Love Foundation

Ekumfi Asaafa, 3 december 2016, 6 uur

De foto’s spreken nogal voor zich, als ik erbij vertel dat het hier bij de One Love Foundation paradijselijk is. Echt een bounty-paradijs pur sang. Ik ben een geweldige arrangementbouwer voor mijn eigen reis: wat een perfect scenario om zo’n beetje de laatste dagen van een zeer intensief programma hier te situeren. Een meter of vijftig voor me het geluid van de branding. Een stille zee maar toch een flink brandingskabaal. De grote kokospalmen om me heen staan er doodstil bij. Er zijn drie rietgedekte hutjes op dit strand vol met palmen, eentje is van mij. Ik werd zonet wakker toen het net licht begon te worden en keek uit mijn bed uit onder de palmen door naar de zee. Eigenlijk moet je dit delen, natuurlijk. Eigenlijk is het jammer hier alleen te zijn.
Ochtendvogels maken de gemoedelijkheid en de rust compleet. Achter mij het houten huisje op palen, dat Brendan en Stefny en hun dochtertje Indy van vier jaar zelf bewonen. Ze slapen nog.

Bij het Hollywood-‘shoestring’-hotel in Elmina serveerden ze geen ontbijt, dus ik liep om zeven uur met mijn rugzakken richting de hoofdstraat, uitkijkend naar een taxi. Die is er natuurlijk direct. Was zelfs al een volle, dus lekker voordelig. Nadat de driver de andere gasten gedropt had, stelde hij me voor me gewoon helemaal naar Cape Coast te brengen, een kilometer of 15, en daar op de juiste trotro naar Mankessim te zetten voor 15 cedi. Oei, dat is erg verleidelijk.
In Cape Coast kwam ik eerst achterin een trotro terecht. Daar kan ik mijn benen niet recht voor me hebben. Gevolg: ik neem twee plaatsen in beslag. Conducteur kijkt fronsend. Tja, zeg ik, je kunt het oplossen door me te laten ruilen met iemand op de voorbank, naast de driver. Die truc werkt in Ghana heel goed; ik Tanzania kon ik er wel naar fluiten. En zo had ik dat uurtje naar de Mankessim-roundabout het weer erg naar m’n zin. Heerlijk om het rumoerige vroege ochtend-leven in Ghana aan je voorbij de laten gaan. Busje stopt overal en nergens, verkoopsters draaien er gretig omheen met hun waren op het hoofd.
0212-fort-amsterdamIn een dorpje langs de kust ontwaar ik wederom een geruïneerd fort op een heuveltop. Direct even opgezocht. Verdomd, dit was Fort Amsterdam, wisselend in bezit van de Engelsen en de Hollanders. Ook hier zijn duizenden slaven de zee op gegaan, richting ‘de west’.

Mankessim is een heel drukke schakel in de verkeersdrukte. Een verkeersplein dat uitgegroeid is tot een markt en halte- en overstapplaats voor veel reizende Ghanezen. Iedereen komt daar op die eenzame blanke met z’n zware rugzakken af, maar ik wimpel ze allemaal af, want Stefny heeft me goed uitgelegd, waar ik de taxi kan vinden naar het dorpje Asaafa aan de lagune bij het strand.
Ik bof weer: in de taxi zitten al wat mensen en binnen een kwartiertje rijdt-ie weg.
Na een kilometer of wat op de doorgaande weg naar Accra slaat-ie af een gravelweg in. Daar scheurt het oude barrel een klein half uurtje naar het zuiden. De andere passagiers stappen in kleine verfomfaaide, stoffige dorpjes uit. Op zich zo dicht bij de grote steden aan de zuidkust ben je hier echt “ver weg”. Allemaal dorpen met net zoveel totale ontwikkelingsachterstelling als de gemeenschappen ver weg in het noorden, die alleen bereikt kunnen worden achterop een lorrie na uren rijden door de savanne. Hoe dat in elkaar steekt is me de laatste tijd (enerzijds deze maand, anderzijds de afgelopen drie jaren, maar daarnaast ook tijdens de lange gesprekken gisteren) steeds duidelijker geworden. Een rode draad daarin is: van ontwikkeling (ja, inderdaad, hier voornamelijk als 0212-olf00het ‘westerse concept’ bedoeld) is niet of nauwelijks sprake zolang en wanneer zolang men er het oog niet voor open doet. De meeste mensen in dorpjes als dit dorpje Asaafa zijn diep van binnen totaal net bezig met ontwikkeling. Worden ze ziek (en gaan ze daar dood aan), dan zal het wel een reden hebben en zijn ze niet zo erg geïnteresseerd in de oorzaak. 0212-olf01Ontmoeten ze iemand die wel wat te besteden heeft, dan wordt er simpelweg een beroep gedaan op diens vrijwillige solidariteitsbijdrage en is er niet of nauwelijks interesse in de achtergrond van het bezit en de welstand van deze ander. Stefny en Brendan hebben een hele grote hond, een lobbige goedzak. Toen ze deze nog niet hadden, konden de mensen uit het dorp urenlang vanaf het 0212-olf03strand naar ze blijven staren. Zonder vragen, zonder communicatie.
Gisteravond heb ik eindeloos verhalen tot me genomen over hun ervaringen gedurende 10 jaren leven in dit vreemde paradijs.

Ze hadden hier graag willen blijven, maar lopen na een jaar of 10 tegen een paar concrete 0212-olf04obstakels aan. Indy moet naar school. En dat werkt hier écht niet. In het dorp blijft ze een vreemde voor alle kinderen. Die willen het liefst de hele dag met haar blonde haar spelen. En het onderwijs is waardeloos, alleen maar gebaseerd op repeteren en stampen zonder dat er enige begripsvorming plaatsvindt. Het alfabet kennen 0212-olf05ze als een ‘liedje’. Ook tellen kunnen ze, maar iets doén met die getallen, ho maar. Om nog maar niet over creativiteit te spreken. Dat is een totaal ontbrekende oriëntatie. De leraren snappen daar helemaal niets van. Met vrijwilligers hebben ze het de afgelopen jaren vaak meegemaakt: prachtig projecten laten 0212-olf06doen met de kinderen. Die dan ook op een geweldig manier ‘leren’ en een enorme ontwikkelingsstimulans krijgen, waar ze met hart en ziel in vliegen. Maar de leraren kunnen er niks mee en vinden het allemaal totaal zinloos. Nou ja, niet alleen dát 0212-olf07natuurlijk, want ook geldt dat dit soort opstelling energie en enthousiasme vereist, de ze liever helemaal niet opbrengen. Leraren die in zulke dorpjes terecht zijn gekomen, zitten hier alleen maar omdat ze door de overheid hier neergezet zijn. Helemaal hun wens niet en hun familie (ook hun echtgenote of echtgenoot) zit ergens anders in het land. Dát heeft weer tot gevolg dan inzet op het 0212-olf08onderwijs geldt van dinsdag tot en met donderdag: de op het weekend aansluitende dagen gaan op aan reizen naar hun eigen hometown, hoezeer ze ook eigenlijk gewoon hadden moeten werken. In Asaafa zijn geen verharde wegen, wat tot gevolg heeft dat inspectie hier ook nooit verzeild raakt.

0212-olf09De traditionele cultuur is veel machtiger dan de schijn van moderniteit, die onder meer gesymboliseerd wordt door de mobiele telefoons en ieders kennis over de Premier League, die hier intenser gevolgd wordt dan in Engeland. Zo is de chief van Asaafa een man die een prima auto heeft en een redelijk goeie carrière bij de politie in Accra, maar is hij nog steeds flink into witchcraft en kan zomaar voorstellen dat het het beste is als een dief een flink touw met een steen aan z’n enkels krijgt en op zee uit een bootje wordt gegooid.
0212-olf10De kernachtige vraag: wat hebben jullie de afgelopen tien jaar nu ervaren qua ontwikkeling in Asaafa, is gewoon te lastig om te beantwoorden. Je kunt je het beste mikken op de mensen die meer mogelijkheden hebben dan de anderen in een dorp als dit, die gewoon wat slimmer en bevattelijker zijn dan de rest. Déze kinderen kunnen een flinke ‘boost’ krijgen. Maar het cynische is: OK, dan help je ze, dan ontwikkelen ze zich en gaan ze in de stad naar school. Ze komen echter nooit meer terug. Dus wat zo erg de kern was bij Deborah in Uyole, Tanzania (The Olive Branch for Childeren; ik was daar juni 2015 enige weken), hoe zij haar kinderen toespreekt: you are the communityleaders of the future, etc. etc., het blijft de vraag of dat ook werkelijkheid wordt. In Afrika rondlopen is en blijft een continue aanslag op alle opborrelende oprispingen van idealisme. Tegelijkertijd forceer je je dan tot de terugwerping op het beschouwen van de irrationalieit en zelfs de hoogmoed van ditzelfde idealisme en trek je jezelf met alle kracht naar de ándere dimensies van beschouwing: er is meer in dit leven. Waaróm zouden die mensen een andere kant op moeten? Omdat ze allemaal ouder moeten worden dan ze nu worden? Omdat ze gezonder moeten leven? Omdat ze allemaal recht hebben op meer scholing? Waar gáát het nu eigenlijk om? Als ze liever leven zoals ze altijd hebben geleefd, soit.
Ja, er blijven altijd situaties over die elke culturele relativering overstijgen. Bijvoorbeeld wanneer Stefny besluit een jongen met enige fysieke mobiliteitsbeperkingen extra hulp te geven. Zo’n jongen zou eigenlijk prima mee kunnen in de ‘maatschappij’, maar leeft een semi-vegetatief leven, totaal nodeloos. Noch zijn ouders, zijn familie, noch hij zelf komt op het idee, dat een paar stokken hem de gelegenheid kunnen bieden, wél naar school te gaan. Dan is het toch weer supersimpel: hij krijgt stokken en zijn leven maakt een grote omslag. Hij kan naar school. Hoe is het mógelijk dat ze zelf dit kleine stukje pro-activiteit niet opbrengen.
Of deze: in een maternity-kliniekje krijgt een vrouw de baby niet uitgeperst. Het kindje hangt er half uit en de nurses laten de moeder aan het lot over, zijn boos omdat ze niet hard genoeg perst. Kindje gaat dood natuurlijk. De vrijwilliger die dit meemaakte had er ook weer een trauma bij. Stefny en Brendan staan er heel dubbel in. Ze zijn best gek op de mensen hier, ze ervaren domweg dat iets als ‘empathie’ gewoon niet geleerd wordt. Het uiten van gevoelens is er eigenlijk helemaal niet. Ja, veel schreeuwen, dat kunnen ze goed; denken wij weer dat ze boos zijn. Maar dat is gewoon hoe ze met elkaar omgaan. En lachen kunnen ze ook. Maar emotionele ‘zwakte’ tonen, dat gaat niet. Dus de huilers bij de begrafenissen worden hiervoor betaald en als je bij gelegenheid de mensen ziet rouwen, dan ziet het er heel erg ‘nep’ uit. Heb ik zelf gezien in Tinkong: dan jammeren ze totdat het lichaam van hun moeder in de lijkwagen zit en daarna is elke emotie weer verdwenen.

Dus naast het feit dat Indy een westerse opvoeding moet krijgen, geldt nog een andere belangrijke reden om naar het westen terug te gaan: zelf hebben ze er ook weer zin in om in de eigen cultuur te leven, met vrienden omgang te hebben. Tja, het gewone leven in Nederland. Brendan, geboren en getogen in Australië staat er ietsje anders in dan Stefny, die erg verlangt naar weer in de buurt van familie en vrienden te leven. Hij is (halverwege de veertig, denk ik) min of meer een professioneel reiziger: heeft in de 15 jaar voorafgaand aan de 10 jaren hier eigenlijk altijd en alleen maar gereisd. De hele wereld gezien en her en der geleefd, gewerkt. Hij settlet zich feitelijk voor het eerst in zijn volwassen leven in een meer ‘burgerlijk’ bestaan. Hij gaat zelfs studeren in Nederland.

Ik stapte uit de taxi in Asaafa en daar kwam de pickup-Toyota aanrijden, met Brendan achter het stuur. Begroeting: “hi, mate, welcome in Asaafa!”. Ja, een Australiër!😉
We reden nog een paar kilometer door de bush, beetje duin-achtig, kronkelden een tweesporenpad af en reden toen een stuk beboomd strand op, waarop prachtige houten gebouwtjes, met elkaar verbonden door een natuurstenenpad door het zand. Het overvalt je direct, met de cliché-bewoordingen: een paradijsje.
Een prachtig halfopen huis, een hele grote vierkante houten tafel met banken eromheen, een uitgestrekte loungehoek met kussens, uitkijkend over de zee, een grote keuken met een ‘eiland’. Geweldig om te zien hoe Brendan dit allemaal opgebouwd heeft. Alles met eigen handen gebouwed. O, wat kan ik jaloers zijn om handige mensen!
En daarachter de hutjes op het strand. Eén hutje op hoge palen: het huisje waar ze zelf wonen. Stefny komt me begroeten en er is een blond meisje, een bloedmooi kindjes. Ze is vier jaar en speelt met een donker jongetje dat hier uit het dorpje komt. Met haar vader spreekt ze Engels, met haar moeder Nederlands. Bij Stefny ontwaar ik direct een Haagse tongval.

Even later zitten we aan de grote ronde tafel te kletsen en dat gaat vervolgens enige uren door. Ze zijn erg geïnteresseerd in (en, gelukkig, positief geïmponeerd door mijn verhalen.
In eerste instantie mikten ze ook op toerisme, toen ze hier begonnen te bouwen. Daar zijn ze echter al snel mee gestopt en zijn ze zich louter gaan richten op vrijwilligers die hier in Asaafa iets zinvols kunnen doen. De vrijwilligers betalen een vast bedrag per dag (17 euro) en daarnaast betalen ze 250 euro aan een project, whatever: ze mogen dat zelf bekijken gedurende de periode dat ze hier zijn.
Dat is eigenlijk altijd een goeie format geweest. Veel vrijwilligers van alle leeftijden hebben hier een mooie tijd gehad. Ze hadden een gemiddelde aanwezigheid van 2 vrijwilligers nodig om hier alles te kunnen runnen.

In september was de laatste vrijwilliger hier. In februari vertrekken ze naar Nederland. Het afgelopen half jaar stond op de website van hun project, genaamd One Love Foundation, het nieuwsbericht “Our Paradise is for Sale”. De One Love Foundation, ook in Nederland ingeschreven, maakte vanaf de eerste publicatie deel uit van de Transparantie-index van Volunteer Correct (het onderzoeksproject dat ik zelf op poten heb gezet) en dus kende ik het. Ik heb contact gezocht nadat ik deze advertentie had gezien en toen ook voorgesteld dat ik tijdens mij reis graag eens langs zou komen. Zodoende.

Met Stefny en de kinderen wandel ik later op de middag het hele terrein over. Naar de zee, wandelend naar het westen tot het begin van de lagune. Daar kun je niet verder. Aan de overkant ligt verderop het stadje Fishpond. Moet ook een heel bijzonder stadje zijn, maar daar kom ik niet.
De lagune loopt verschillende kanten het land in. Eigenlijk ligt het stukje land van One Love Foundation op een soort strandschiereiland. Er staan hier zo’n 300 grote kokospalmen op het strand. Ze bieden een heerlijke semi-schaduw. En onder de hoge kruinen door kijk je naar de zee. Het hele terrein is heel schoon, geen plastic, geen troep. Zelfs de vele vallende bladeren worden altijd opgeruimd. Je kunt je echt voorstellen, dat je deze omgeving, totaal ‘gecreëerd’, aantreft bij het meest exclusieve resort op de Malediven aantreft, waar je 1000 dollar per nacht betaalt voor een hutje als waarin ik vannacht heb geslapen.

Nog wat verderop in de middag ben ik de zee in gegaan, heerlijk in de branding verpoosd. En daarna languit in de loungebanken, met mijn boek.
Tijdens en na het eten wederom uren met elkaar gekletst aan de grote vierkanten tafel.
Inmiddels is het half acht en zien Brendan en Stefny ook wakker. Vandaag krijg ik ook nog zicht op wat ze hier in het dorpje hebben gedaan de afgelopen jaren.

Vanuit Ghana (30) – Elmina

Elmina, 1 december 2016, 20.40 uur

Het wil niet lukken om aan de vochtige hitte te ontsnappen. Zo stil mogelijk blijven liggen, dat werkt nog het best; de geringste inspanning laat het zweet weer langs m’n armen en m’n slapen gutsen. Niet lekker. Eigenlijk…. heb ik het nu wel beetje gehad met die hitte. De fan zoemt wel lekker maar maakt wat te weinig toeren naar mijn zin.
Ik ben in een budgethotelletje in Elmina, genaamd ‘Hollywood’. De taxi die me strikte bij de hoofdweg, die hier bovenlangs Elmina richting Cape Coast gaat, gaf me een paar tips voor ovenachting. Doe maar de goedkoopste. Dat was Bridge House, vlak tegenover het grote slavenkasteel. Ah nee, da’s veel te luxe: 186 cedi voor een kamer. Meer dan twee keer zoveel als ik tot dusver maximaal heb betaald. Ze gaven me dit als tip: Hollywood. Een paar jongetjes kreeg ik erbij, om me erheen te brengen. Aan de andere kant van een rommelig bebouwd heuveltje kwam ik hier terecht. Ja, da’s meer mijn ding. En slechts 46 cedi. Heel wat biertjes kun je kopen van het verschil!

0112-tentje-van-florenceNog een kop koffie gedronken bij het tentje van Florence, vanmorgen. Nog een laatste onderhoud met Ebenezer, afscheid nemen, en toen zat ik in de taxi. In Agona kon ik direct instappen in een trotro en in Takoradi was het nóg mooier. We waren nog niet eens bij een busstation toen de conducteur zei: je moet eruit! Ik beetje in de war: wat kan ik hier dan doen? Maar hij had mijn rugzak al uit de achterbak gehaald, op z’n rug gegooid en zei: kom mee!
We staken de weg over en hij liep naar een andere trotro, die kennelijk op me stond te wachten. Hij pleurde m’n rugzak weer in de achterbak en rende zonder verder wat te zeggen terug naar z’n eigen trotro. Vriendelijkheid was geen onderdeel van deze service. Maar service, jawel, op en top service! Dus in een vloek en een zucht direct door in de trotro naar Elmina, nog weer een goed uur verder, de west-oost kustweg langs.

Het landschap is hier groen, maar het is een rommelige streek, zo bij deze landelijke hoofdweg. Lintbebouwing. Af en toe een stuk buiten bebouwde kom, heel uitgestrekte palmbomenplantages, maar het is hier redelijk druk bewoond. De aarde is hartstikke rood. Soms ie-ie groeve-achtig afgegraven. Zal ook wel voor bouwmaterialen zorgen. Overal waar mensen buiten staan, schreeuwt het conducteurtje ‘Keep, keep, keep, keep’. Eerst snapte ik het niet, maar het drong al gauw tot me door, dat-ie doorrijdt naar Cape Coast, een kilometer voorbij Elmina. Daar kom ik morgen ook doorheen. In Cape Coast is ook een groot slavenfort. Je ziet het vanuit het fort in Elmina liggen in de verte.

Om ’n uur of twaalf had ik m’n kamertje in het hotel te pakken en laste ik even een flinke break in voor de laatste aflevering van seizoen 2 van Homeland. Trok daarna weer droge kleren aan klom de heuvel achter het hotel op. Dat was nog een bijzonder kruip-door-0112-op-de-heuvelsluip-door-gedoetje over kleine erfjes. Boven wordt al mooi zicht geboden op de baai, de zee, de branding, de vissers-piroques. En het fort. En duidelijk veel oude koloniale gebouwen. Ze krijgen hier een beetje dat ‘Cubaanse’, zoals ik ook in Bagamoyo had ervaren: de romantiek van het verval. Al krijg je hier wat minder van die romantische schwung mee. Dat komt doordat de hele bevolkingsentourage 0112-huizen-in-elminadeze sfeer bijna provocatief loopt te ontkennen met haar Afrikaanse houding van drukte, kabaal, getetter en getoeter. Je zou kunnen denken dat de gebruikers van deze omgeving deze niet zelf hebben gecreëerd. Dat is een merkwaardig besef.

Later heb ik wat teksten zitten lezen op internet, via m’n telefoon, toen ik een koude bier dronk bij het veel te dure hotel naast het kasteel, pal nadat ik de twee uren-toer door het kasteel had gemaakt. Dat bracht op een bijzondere wijze bevestiging voor mijn vreemde gevoel, dit stadje beschouwend. Er is zóveel potentieel. De historie heeft een enorme vertelwaarde, die zich ook nog een fantastisch laat ensceneren met twee grote forten en nog veel meer.
0112-koloniaal-gebouwEr zijn wat dure hotels. Maar met de gasten van zulke hotels weet je het wel: die wíllen helemaal zo’n rommelige stad niet in. Voor zulke mensen is dit een museum en ze zoeken het zwembad bij het hotel weer op. Maar lokale restaurantjes, éénsterhotelletjes, guesthouses, je hebt ze hier bijna niet. Ik las zelfs, dat toeristen nog wel een onheus bejegend worden door de bevolking. Sowieso moest ik oppassen voor de ratjes bij het kasteel. Ze vragen je naam, waar je vandaan komt en dan komen ze met speelse begroeting in het Nederlands. O nee hè!, ik haat dit. Daar kom je dan niet meer van af. En ik haat het al helemaal, wanneer ik mezelf zo onaardig hoor zijn tegen zulke mensen.
0112-de-havenNotabene: na een paar uren in het kasteel liep ik weer buiten en werd met m’n eigen naam geroepen. Ach, ik had die gezichten totaal niet onthouden. Hij bleek een grote schelp te hebben beschilderd met ook mijn naam erbij. En een mum van tijd stonden er nog vijf jongens om heen. “So this is a present for me?”, vroeg ik sceptisch. En daar kwam het formulier waarop een grote rij namen en wat deze namen allemaal hadden gesponsord voor het voetbalteam, waar ze deel van uitmaken. There we go again.
Natuurlijk betaal je uiteindelijk wat. Een afkoopsom. In de reisgids staan hier ook de verhalen over. Daar staat er expliciet bij: pas op, ga geen enkel commitment aan, geef geen telefoonnummers of emailadressen. Etc. etc. Op internet werd het beschreven onder het mom van het gebrek aan ontzag voor het toerisme en de toerist: de bevolking wordt als het ware niet ‘opgevoed’ voor toerisme. Tja, je kunt ook denken: waarom zóuden ze?! Laat ze lekker zichzelf blijven in dit vissersstadje. Maar anderzijds: ze zouden natuurlijk honderd keren meer aan het toerisme kunnen verdienen. En hoe sneu het ook klinkt: de stad zou er ook nog van opknappen. Nu is er voor een toerist ook weinig te doen en te beleven. Afgezien van die slavenforten dan.

0112-elmina-castle-geheelDit grote fort, eigenlijk Fort St. Georges geheten, is flink wat groter dan het fort dat ik in Dixcove trof. En het stamt ook uit een flink andere tijd. De gids vertelt het zo: dit fort is ouder dan de ontdekking van Amerika. Het is gebouwd in 1486. Ook van Amsterdam was 0112-binnenplein-kasteeltoen nog maar nauwelijks sprake. De Portugezen waren er het eerste bij, in de 15e eeuw. De Hollanders, Duitsers, Denen, Engelsen, zij bouwden forten in de 16e en vooral ook in de 17e eeuw, zoals die in Dixcove.
In Elmina zijn twee forten: op de heuvel, ook midden in de stad, ligt Fort St. Jago. Ik ben daar niet naartoe gewandeld, je kunt er ook niet in. Het zou op de rol staan om verbouwd te worden tot hotel, maar er gebeurt al tien jaar niks. Het ziet er wel ‘onderhouden’ uit. Dat geldt min 0112-psalm-132of meer ook voor Fort Elmina, hoewel het witschilderwerk er erg verweerd uitziet. Maar dat geeft het eigenlijk ook weer meer karakter (en ‘ouderdom’) mee. Op OneWorld heb ik laatst nog een artikel gelezen, waarin wordt geschreven dat de onderhoudssituatie weer ernstig te wensen overlaat, nadat notabene Nederland vijftien jaar geleden miljoenen heeft uitgegeven aan een flinke opknapbeurt. Willie en Max zijn hier toen op bezoek geweest.

0112-ik-in-elmina-castleToen de Portugezen hier zo’n 150 jaar zaten, zijn ze verjaagd door de Nederlanders. Dat ging erg gemakkelijk. De Nederlanders veroverden zeer gemakkelijk Fort St. Jago en gingen daarvandaan aan de slag met het beschieten van het fort beneden. De Portugezen zagen direct in, dat ze zich niet konden verdedigen en kozen het hazenpad. Eén van de allermakkelijkste overwinningen ever. En ook zo’n beetje wereldwijd de eerste ‘koloniale oorlog’ tussen westerse mogendheden.

Bedacht me vandaag een bijzondere parallel: tegelijkertijd met het lezen van ‘De niet 0112-st-jago-vanuit-elmina-castleverhoorde gebeden van Jacob de Zoet’ bezoek ik de handelsbastions van Nederland aan de Goudkust. Het boek van David Mitchell verhaalt over de Nederlandse handelspost Deshima in Japan. Van de 16e tot de 19e eeuw waren alleen Nederlanders in staat handel te drijven met het volledig gesloten Japan.
Dat is Nederlands ‘kolonialisme’: het gaat vooral om handel. Gewoon om handel. Goud, specerijen, slaven, whatever.0112-exit-slaves

Uiteindelijk is het fort in Elmina pas rond 1870, toen Gold Coast een Engelse kolonie werd, aan Engeland overgedragen. Ordinair ‘verkocht’. En dat kwam zo verkeerd niet uit, want de handel ging slecht en de bemensing kostte de Nederlandse overheid kapitalen.

Je komt nog heel wat Nederlands tegen in Elmina. Plakkaten op de muren en een stichtelijke tekst boven de poort in de kerkzaal in het fort.  Eén plakkaat handelt over de laatste gouverneur. Hij was 41 toen hij hier in Elmina overleed, kort nadat hij was aangekomen, aan malaria natuurlijk.
Op de Nederlandse begraafplaats moeten ook nog veel Nederlandse namen op de grafzerken staan. Het is een bijzonder plekje. Een klein vierkant stuk veld midden in de stad, met witte muren omzoomd 0112-dutch-cemetary2en voorzien van allemaal witte zerken en kruizen en een centrale pilaar middenin. Erg jammer dat ik er niet in mag: er zit een dik slot op het hek. Misschien had ik dit van te voren uit moeten zoeken. Maar het slaat (wat mij betreft) ook terug op het gebrek aan toerismebeleid in Elmina: van een tourist office is in Elmina géén sprake.

De gids die een groepje van een stuk of 10 bezoekers, waaronder ik, rondleidt, ratelt zijn praatjes erg ongeïnspireerd af. Hij forceert met bijna tot het kopen van een boekje en een CD, waar ik totaal geen zin in heb. En hij vertelt me dat het is toegestaan om de gids wat extra’s toe te stoppen. Ik proest het bijna uit van het lachen. Maar natuurlijk krijgt hij wel wat.
Toch kan hij niet zoveel fout doen. Hij leidt de groep door het hele kasteel en zo zien we in wat voor erker er 150 vrouwen tegelijk tijden lang werden opgesloten, zonder enige voorziening. In deze erker overleed al een flink percentage nog voordat sprake was van een overtocht naar Amerika, van Brazilië tot de VS. Later zie ik ook de finale point of no return: het kleine hekje waardoor ze gaan naar de sloep die ze naar het grote slavenschip op zee brengt.

Als we bovenop het fort lopen, wijst de gids op een torenkamer bij de zee. Daar heeft de Asantehene, de koning van Ashanti, jaren opgesloten gezeten, einde negentiende eeuw. De Engelsen hebben nog heel wat te stellen gehad met de Ashanti. Later hebben ze de koning naar de Seychellen verbannen.
Tot slot wandelen we ook nog door de vertrekken van de gouverneur. Die had het wis en waarachtig een stuk beter dan, ja, dan wie dan ook alhier. Het is een gruwelijk besef, hoe het hier is toegegaan, eeuwen lang.

0112-elmina-castle-bij-avondlichtThuisgekomen de kletsnatte kleren weer uit en voor de derde keer onder de douche. God, wat is dát fijn! Kort voor het donker werd toch nog een eind gelopen om ergens een flink bord jollof te kunnen scoren.

Vanuit Ghana (29) – Black Star Development en wandeling naar Butre

Busua, 30 november 2016, 21.30 uur

Vandaag kwamen momenten voorbij, dat ik me realiseerde dat het momenten waren om nooit meer te vergeten. In Butre moest ik soms denken aan het bijzondere vissersdorpje met houten huizen op palen op het eilandje tussen Flores en Sumbawa; het eilandje waar we zulke prachtige foto’s maakten, later bijna allemaal verloren geraakt door de diefstal van de camera direct de navolgende dag. Maar eerst maar het begin van de dag.

Na mijn ochtendgeschrijf had ik een prima omeletontbijtje in de lege en totaal sfeerloze restaurantruimte in dit hotel. Nog één andere jongen sloot zich bij me aan in deze ruimte, een jonge blanke jongen. Of het nu verlegenheid was of algemeen gevoel van onbehagen, ik weet niet, maar hij leek ‘ver weg’. Toch had ik geen zin en moed om gesprek aan te gaan, was zelf ook te happy met mijn coconnetje. Toen hij niet eens gedag zei toen ik wegliep voelde ik me al wat minder schuldig. Ondertussen was het buiten aan het flitsen en aan het donderen, maar het was op zee. Hier geen wind. Wel een heel zacht regentje. Een soort van Hollands miezerregentje, waar je net niet nat van wordt en dat hier dus heel verkwikkend is. De hele dag is het ruim onder de dertig graden gebleven en met sluierbewolking. Heerlijk!

Om halftien meldde ik me bij het Black Star Development-kantoortje. Ebenezer zat op me te wachten en kort daarna kwamen Shirley (eerder nog door mij Shelley genoemd) en Joe eraan. Shirley ziet eruit als een makkelijke, vrolijke, jonge meid. Maar dat vooroordeel img_20161130_103634110moest later beetje overboord. Ze heeft vier kinderen, waarvan de jongste in Accra naar de universiteit gaat en de jongsten door haar in haar uppie worden opgevoed, want haar man is al een jaar of vijf geleden overleden. Ze heeft een mooi winkeltje met allerlei ‘home needs’ en ze bouwt aan haar tweede winkel, die dan door één van haar kinderen kan worden bemenst. Ze werkt hard en ze spaart.
Dat wordt vooral duidelijk wanneer we spreken over de inzet van Black Star op verbetering van het ondernemerschap van groepen vrouwen. Ze is een prachtig voorbeeld. Tja, het gaat eigenlijk maar om één ding: maken ze de overstap naar de ondernemersblik, ja of nee? Voor de meesten is die stap ‘in the end’ niet te nemen: dan blijven ze toch gewoon de gaten dichten, dagelijks. En zo is het onmogelijk om kapitaal op te bouwen.

1130-joeJoe, de andere boardmember van Black Star, is weer uit totaal ander hout gesneden. Hij is echt het type ‘community leader’. Een geboren aanvoerder. Naast het werk op z’n boerderij is-ie vooral bezig met z’n agentschap voor de hele West en Central Region van een NGO die bezig is met het aan het volk brengen van ‘cook stoves’ die duurzamer zijn en minder ongezond. En hij zet zich natuurlijk in voor Black Star.
Wat Black Star het meeste parten speelt, dat is domweg: gebrek aan inkomsten. Deze organisatie is in het verleden te afhankelijk geweest van donors uit Canada en de VS. Daar kan nu niet langer meer op gerekend worden. Ik wijs een beetje provocatief naar het huis op de heuvel, overal vandaan zichtbaar in Busua. Het is het huis van de MP uit dit district. Ik had al op een openbaar gebouw in Telegraafletters gezien, dat dit ‘geschonken was door de honourable…’. En dan weet je het wel: dit heerschap is niet het type dat solidair zijn eigen community laat profiteren. Duidelijk dus, de reactie van mijn tafelgenoten: nee, van hem moeten we ’t niet hebben.

Veruit de belangrijkste ‘feature’ van Black Star is domweg…. de locatie. Het is domweg een perfect plekje voor een jonge vrijwilliger om hier te verblijven. Wat mij betreft pas het arrangement, dat door Lianne juist kort geleden is gemaakt voor een vrijwilliger die hier in januari komt, dan ook perfect: hij gaat een maand hiernaartoe om de vrouwen te trainen op ‘entrepreneur skills’ en daarna gaat hij voor drie maanden in Tamale aan het werk in een ziekenhuis. Oftewel: doe een stuk van je werk hier en een ander deel ergens anders. Vrijwilligers kunnen hier overigens van alles doen, ook gewoon onderwijsassistentie op de school. Over een maandje wordt er een klein kliniekje opgeleverd. Daar zouden ze ook graag verpleegkundigen (studenten) willen inzetten. En dan zijn er nog de strandmogelijkheden: naschoolse activiteiten en surfen.
Verder gewoon een superfijn gesprek met interessante en enthousiaste mensen. Gelukkig toch een boel meer creatieve energie hier dan bij de jongens van Nurses on Tour.

Rond een uur of twaalf breken we op, neem ik afscheid van Joe en Shirley en wandel ik met Ebenezer aan de andere kant het dorp uit. Ebenezer heeft gepland vanmiddag met me naar Butre te gaan. Dat dorpje ligt voorbij het rotsige schiereilandje aan het oosterlijke eind van het stuk strand van Busua. Van Lianne en Nikki had ik al begrepen, dat dit dorpje bijzonder is, zowel als dorpje zelf alsook voor wat betreft de situering.

Eerst passeren we nog wat meer lodges. Krijg nu zicht op nog wat meer toeristische oriëntaties in Busua en ik zie waarachtig toch nog wat meer blanke mensen. Aan het einde ligt Busua Beach Resort. Daar wat zwembaden en onder een zeil staan wat jetski’s, waar je mee de zee op kunt. Verder achter glas vanaf de vloer een moderne ‘gym’. Lekker fietsen op een nepfiets met uitzicht op de golven van de oceaan. Ja, moet je net bij mij wezen: ik voel alweer ergernis opkomen; kan gewoon nooit zo goed tegen dit soort exposé van koloniale tegenstellingen. Overigens lijkt er geen hond (laat staan een toerist) in dit hele resort. In de weekends en in andere seizoenen kan het hier best druk zijn, vertelt Ebenezer me.

1130-strandwandelingDaarna komen we op het strand en wandelen het hele stuk in deze baai af, zo’n twee kilometer. Het strand is leeg en stil, hoewel er het heerlijk rustgevende kabaal is van een flinke branding en, hoewel een totaal vlakke zee, toch golven die overslaan en mooie tunnels maken. Krabbetjes schieten voor m’n voeten weg en verstoppen zich in hun kleine gaten in het zand.
Met vloed komt het water over het hele strand heen. Aan het einde van het strand veel groen. Ebenezer vertelt dat die bomen en struiken met de grote bladeren ‘almond trees’ zijn.

1130-ebenezer-in-de-bush-op-de-heuvelAls we vlakbij het rotsengedeelte komen, nemen we een pad omhoog. Het is weelderig groen, ons paadje, mansbreed, slingert omhoog en geleidelijk raken we het geluid van de zee helemaal kwijt. Een heerlijke stilte in dichtbegroeid groen. Bijna bovenaan gaan we even van het spectaculaire uitzicht genieten: geweldig, je kijkt de hele baai af, terug tot aan Busua en daarachter het volgende schiereilandje, waarachter Dixcove ligt, waar we gisteren waren. Het is echt prachtigmooi hier!

Verderop gaan we weer naar beneden en daar komt het oceaangeruis weer terug. Het dorpje beneden wordt geleidelijk zichtbaar en even later wandelen we door het zand. Dit dorpje bevindt zich domweg op het strand, nauwelijks hoger dan het zeeniveau. Stormt het hier dan nooit?, vraag ik Ebenezer. Nee, eigenlijk zijn hier nauwelijks extremiteiten van dien aard. Wel hyperzware regenval, maar ja, dan biedt die natuurlijk afvoer weer juist een voordeel.
1130-busua-beach-vanaf-de-heuvelEen gemoedelijk dorpje. Midden op straat staat er ergens een grote luidspreker waar Afri-muziek uit voortkomt. Dit lijkt zo zo’n beetje de muziekvoorziening voor het hele dorp. Naast de speaker staat een meisje van hooguit vier jaar lekker uitbundig mee te dansen. Jammer genoeg stopt ze als ik het even ga filmen.
Het heeft iets magisch, dit dorpje met veel lemen huisjes, maar nadrukkelijk ook beton en steenbouw, zo bovenop de branding. Alsof het eigenlijk helemaal niet kán, terwijl de hele 1130-in-butre2entourage – spelende kinderen, visrokende vrouwen, sjofele mannen, etc – me natuurlijk met alle middelen vertelt, dat alleen ík dit allemaal zo bijzonder vind. Ik word min of meer ‘gedoogd’. Ze zien hier vaak genoeg blanke mensen en hebben er ook best een hekel aan dat ik foto’s maak. 1130-visrokenEbenezer moet ze eerst beetje ontdooien en dan nog lopen ze zelf uit mijn plaatje weg.

1130-in-butreVerderop blijkt ook hier een lagune landinwaarts te gaan en valt mijn oog op een heel markante houten loopbrug. Opdat er toch boten onderdoor kunnen, is-ie in een bijzondere punt omhoog gebouwd. Aan de andere zijde van de brug is een klein restaurantje in een hut op palen met daarnaast nog eentje met wat kamertjes om te verhuren. We lopen nog even verder, waar ik nog een strandrestaurantje aantref met daarachter onder de palmen kleine ronde 1130-brug-in-butrecottages.
Hier wilde Ebenezer me mee naartoe nemen: de Hide Out Lodge. Een geweldig plekje voor een lekkere lunch en een paar biertjes. We zitten hier een paar uur intens te genieten. Van het uitzicht, van het geluid van de branding, van bruschetta’s en een bord met verse 1130-zicht-op-butre-en-brug-en-batensteinfrietjes. En van de biertjes.
Ebenezer is fijn gezelschap. Ik had niet een fractie van het plezier gehad als ik hier helemaal alleen geweest was. Maar het lijkt me bij uitstek een geweldig plekje om met Fenny eens terug te komen en gewoon een dag of vier of zelfs een week te blijven.

1130-ebenezer-bij-hideoutBovenop de heuvel boven Butre zie ik wat resten van bouwwerken. Ik vraag Ebenezer ernaar en hij vertelt me dat dat ook een slavenfort is. Het is door Nederlanders gebouwd en heet Batenstein. Nou moe, dat had je me ook wel even ongevraagd mogen vertellen, oliebol!, denk ik bij mezelf. En deze Ebenezer is notabene jarenlang tourguide geweest. Soms snap je mensen niet.
Achteraf, nadat ik het verhaal en de foto’s over Batenstein (gebouwd rond 1650) heb opgezocht, bedenk ik me dat ik er wel naartoe had willen klimmen. Hoewel redelijk geruïneerd, is er nog veel van dit fort over. Lezend over Batenstein en de Nederlandse forten krijg ik nog wat interessants mee. In de buurt van Elmina, toch hier vlakbij, komen veel Ghanezen voor met Nederlandse achternamen. Dat komt domweg nog van de tijd dat de Hollanders het met Ghanese vrouwen aanlegden, in de 16e en 17e eeuw vooral. Ebenezer heeft van achteren ‘Bentum’ en jawel, hij beaamt het, hij weet dat zijn familienaam ook op die periode terugvoert.

Op dit strand komen ’s avonds vaak vrij grote schildpadden hun eieren leggen in het zand. Op een bepaald moment merkt Ebenezer er eentje op in de branding. Ik zie ‘m ook, maar later is-ie helaas weer verdwenen.
Aan een ander tafeltje zitten de enige andere gasten op het terras van de Hide Out. Bijzonder is dat toch, dat je Nederlandse mensen domweg ‘herkent’. Ebenezer dacht nog dat ze Duits waren, maar ik wist het echt bijna zeker. Gewoon door de Hollandse boerentrienigheid van beide dames, die er verder heus best aantrekkelijk uitzagen. Jawel, Nederlands dus. Ik ben hier aan het werk, dus ik verman mezelf en ga een praatje maken; ben veel te nieuwsgierig wat ze doen hier. Het blijken medicijnenstudenten te zijn uit Nijmegen. Ze gaan volgende week in Techiman aan hun laatste coschap beginnen. Met het ziekenhuis (en de uni) van Techiman onderhoudt Radboud (Nijmegen) al jarenlang relaties. Ieder jaar gaan er tot 20 studenten naar Ghana. Ze vertellen van alles over de voorbereidingen voor hun avontuur, maar deze blijkt toch vooral om het medische domein te draaien. Potdorie, moeten zij niet gewoon ons voorbereidingsweekend volgen? Dat gaat over de interculturele dimensies. Ze geven inderdaad aan, dat daar niet zoveel aandacht aan wordt geschonken. Dus interessant om thuis dit verder uit te zoeken.

1130-strandbar-busuaTijdens de wandeltocht terug kletsen we een uur lang over voetbal. Ebenezer is een groot Liverpool-fan. Zelfs in een dorpje als Busua volgen ze allemaal de Premier League. Zoals op zoveel plaatsen tref je ook hier de krijtborden buiten de barretjes, waarop staat welke wedstijden wanneer te zien zijn.

1130-strand-busuaTerug bij Busua is er inderdaad zo’n lelijke jetski op het water. Mijn tweede douche genomen en daarna een Homeland-aflevering en een paar hoofdstukken Jacob de Zoet (David Mitchell).
Genoeg ervaringen voor vandaag. Na een Afri-pasta in een restaurantje verderop samen met Ebenezer nog een biertje soldaat gemaakt.
Morgenochtend weer weg hier, met taxi en bus naar Elmina.

Vanuit Ghana (28) – Busua en Dixcove

Busua, 30 november 2016, 6.45 uur

Gossie, wat heerlijk geslapen! Een Ghana-record: 8,5 uur! Maar ja, dit betrof een inhaalactie na de vorige nacht doorwaakt te hebben. Maar voelt goed. Net zoals de bijna Hollandse drol die ik zojuist produceerde; ook dat komt gewoon niet zo vaak voor. Die productie is een mooie graadmeter voor hoe het fysiek het hier gesteld heeft.

1129-dadson-hotelNatuurlijk had ik gistermorgen al wat kunnen bijslapen, maar dat werkte niet echt. Gewoon niet moe genoeg. Om ’n uur of tien heb ik Ebenezer weer opgezocht en ben gaan ontbijten onder een bamboe-dakje hier aan de andere kant van de straat. Ebenezer vertelde me, dat de uitbaatster van dit tentje, Florence, ondersteund door Black Star Development, Ebenezer’s clubje, haar kleine restaurantje heeft kunnen opzetten. Florence heeft een perfect plekje en ze maakt even later een heerlijke omelet voor me. Ik drink er een paar koppen thee bij. Fijne arrivé hier in Busua!

Vervolgens neemt Ebenezer me mee op een wandeltoertje door Busua. We passeren alvast 1129-kantoor-bsdhet Black Star-kantoortje, waar morgenochtend (straks) dus een meeting plaatsheeft; dan ga ik uitgebreid met hem en z’n maten over de samenwerking praten. Ebenezer maakt de hele tijd foto’s van mij. Later tref ik ze allemaal aan op de groeps-app van de Meet Africa Partners: hij heeft een missie: alle andere partners uit de andere uithoeken van het land laten hoe het hier in Busua is! Met Niko erbij dus. Vooralsnog heb ik juist bij deze organisatie niet het ‘samenwerkingsenthousiasme’ dat ik bij veel anderen wel heb. Ook hier lijkt me sprake te zijn van een eertijds met behulp van extern geld (en tijdelijk extern enthousiasme van Amerikanen) opgezet project, waarna het is losgelaten door de suikerooms. Een constant naar voeding (geld) opzoek zijnd project.
Ebenezer laat me een mooi in de Ghanese vlag-kleuren beschilderd schuurtje zien. Hier ‘huist’ het afvalverwerkingsproject. Hier in Busua inderdaad vele malen minder vuil op straat. Dat hangt samen met het toerisme. Ik zie dat diezelfde middag terug als ik door Dixcove wandel: allemaal plastic op straat. Busua is netter. Maar het vuilverwerkingsproject van Black Star ligt stil. “Issues” met de samenwerkingspartner, who ever that may be.
Vaak rept Ebenezer over ‘Coen’. Een Nederlandse jongen van een jaar of 19, die hier afgelopen winter vier of vijf maanden was. Hij was de laatste vrijwilliger. Coen was een bijzonder geval. De eerste maand gleed-ie volkomen af, wilde naar huis. Leek te jong, te onzelfstandig, te onverantwoord. Maar later kreeg-ie de ‘vibe’ te pakken en op het einde wílde hij niet meer naar huis. Coen gaf les op een school en ’s middags naschoolse dingen en sport op het strand. Ik kan me best voorstellen, hoe ’t met Coen liep: het is een heel bijzonder plekje met een bijzondere atmosfeer.

We dwalen nog wat door het dorpje met verspreide erfjes en zo kom ik bij het winkeltje van Shirley, met wie Ebenezer samen 2 weken terug de conferentie bezocht. Enthousiaste omhelzing. Ebenezer wijst me op het huis van de ‘mama’ van Coen. Ja, die jongen had het wel mooi. Een grote waterput achter het huis, waar hij ’s morgens het water om te douchen zelf naar boven mocht halen.
1129-ebenezer-met-moeder-en-zusDaarna nog even bij z’n eigen compound langs, waar hij woont bij z’n ouders en z’n broer met schoonzus, die een babietje van nog maar één week oud de borst geeft. Z’n moeder erg vrolijk kletsend, maar onverstaanbaar, spreekt geen Engels. Z’n vader is meestal doordeweeks weg, heeft een administratieve baan op een paar 100 kilometer hier vandaan. De dames zitten op de grond met hun handen in de deegballen, dopen dat in de soep.

Bij een lagune met een brug eroverheen gaan we eerst naar beneden, richting strand. De brug en het pad vervolgend kom je in Dixcove, vertelt Ebenezer. Dat doet mij een bel rinkelen en Ebenezer vertelt me (inderdaad) dat daar een oud slavenfort is. Dixcove moet een interessant vissersdorpje zijn. “We walk there this afternoon, Niko, because also I want to play a football match there, before sunset.” Hee, dat klinkt goed.

1129-vissersboten-op-het-strandEn zo kom ik voor het eerst echt bij de zee!
Langs de lagune waar grote houten vissersboten liggen wandelen we het strand op. Ik zie dat dit aan prachtig baaitje is. Een stuk strand van een paar kilometer, waar we nu aan één zijde zijn. Dixcove heeft geen strand, daar zijn alleen rotsen. En een paar kilometer verderop houdt het ook op.
Het strand ziet er mooi schoon uit en is heel breed. Maar het is nu eb, zegt Ebenezer. ’s Avonds zie ik dan ook dat het water tot bijna aan de huizen komt.
1129-boot-op-het-stranaOp het strand zijn wat mensen bezig met een boot. Ze trekken ‘m over ronde buizen heen over het strand. Verderop in zee een paar kleine rotsige eilandjes. Ten oosten dreigt al uren een donkere lucht, maar die arriveert hier uiteindelijk nooit. De warmte is hier qua temperatuur misschien minder dan in het noorden, maar het is hier vochtig en dus minstens net zo drukkend. Alle vezels in mijn kleren zijn kletsnat en zout zweet prikt in m’n ogen.
1129-ebenezer-op-het-stransEr is helemaal niemand in zee. Ebenezer vertelt me evenwel, dat het heerlijk is om hier te zwemmen en in de branding te surfen. Surfles-geven aan de kinderen hier, dat is wat-ie graag doet en wat-ie ook doet vanuit Black Star Development. Ze hebben hun eigen project, werken samen met de mensen van een surfschooltje aan het strand, in het bezit van voldoende planken.

Bij een barretje met een pooltafel in het midden, aan het strand recht achter mijn hotel, drinken we een grote fles bier. Dit is het dan, bedenk ik me, een dikke slok bier nemend. Hier heb je nu zo lang naar uitgekeken. Jawel, het is hier prachtig, bijzonder om hier te zijn. Maar tegelijkertijd geldt juist hier en nu, dat dit typisch zo’n moment is om te delen. Rondreizend, mensen ontmoetend, ‘werkend’, dan is het OK om alleen en helemaal vrij te zijn, direct te kunnen schakelen. Maar eindelijk een klein beetje in een ‘vakantie’-modus merk ik direct: nee, dit moet je eigenlijk délen!

Ebenezer gaat wat voor zichzelf doen; we spreken af dat we om half vier samen naar Dixcove gaan lopen. Ik ga m’n zwembroek aan doen en even de zee in. Ook dat is fijn, is lekker, maar ja, in je uppie heb je het dan in een half uurtje wel gehad. En zo heb ik wat relax-uurtjes met m’n boek.

Halfvier wandelen we samen de brug over de lagune over richting Dixcove. We doorkruisen een rotsig stuk land met een flinke palmplantage. Dit zijn geen kokospalmen op een hoge stam. Lage palmbomen, die vooral voor palmolie en palmwijn zijn, zo begrijp ik van Ebenezer. Een kilometertje verderop kijken we naar beneden en zie ik een druk haventje met veel lange houten vissersboten. Allemaal hebben ze verschillende internationale vlaggetjes in de masten. Kun je de Nederlandse al vinden?, vraagt Ebenezer. Dit heeft verder geen enkele betekenis, zegt Ebenezer, dat vinden ze gewoon leuk allemaal, al die verschillende vlaggen.
1129-fort-van-dixcoveWe klimmen nog wat verder de rotsen op en daar krijg ik voor het eerst zicht op het ‘Metal Cross’-fort. Het is in 1680 (ongeveer) gebouwd. In eerste aanzet door Duitsers, later Engelsen. Het is ook nog een tijdje in bezit geweest van de Hollanders, maar toen de echte kolonisatie inzette in de 19e eeuw, toen is het definitief Engels geworden.
1129-fort-met-bootjesHet fort ligt hier heel markant op een rots boven het dorpje. Het is vijfhoekig met lage torens op de hoeken. Door de kantelen zie ik de kanonnen staan. Er is niemand bij het fort. Ja, ze kunnen een gids laten komen, maar ik zeg: laat maar, ik laat me wel veel uitgebreider inlichten als ik bij Elmina of in Cape Coast ben. Aan de zeezijde van het fort tref ik een leeg zwembad en zie ik ‘cottages’ staan, waarvan ik eerst éven dacht dat die ook bij de koloniale tijd hoorden. Maar nee, hier is een Engelsman toch bezig met een toeristisch project. Maar dat lijkt beetje stil te liggen en zo zie je maar weer eens dat bouwwerken die nog niet eens áf zijn, alweer beginnen te verweren, afbladderen.

1129-boten-bouwenWe wandelen deze rots weer af en komen bij de haven. Daar zijn jongens bezig met de bouw van een nieuwe vissersboot. Een hele flinke boom moet er zijn neergehaald voor zo’n vissersboot. De buik van de boot bestaat uit een uitgeholde boomstam.
Dixcove is een vriendelijk vissersdorpje. Alles ruikt naar zee en vis hier. En er lijkt maar weinig sprake van ‘ontwikkelde handel’. Zo op het oog gaat het gewoon om de zelfvoorziening van een community en de handel met de eigen omgeving. Je ziet hier geen vrachtwagens of zo, en grote opslagplaatsen ook niet. De mensen zijn vriendelijk, maar schenken weinig 1129-haven-van-dixcoveaandacht. Er zijn waarschijnlijk regelmatig bezichtigers van het fort hier. Maar alle kindertjes schreeuwen natuurlijk weer wel ‘obroni, obroni’.

Daarna lopen we dezelfde weg weer terug, Ebenezer gaat voetballen en ik drink lezend wat biertjes in de strandbar achter m’n hotel, waar het geleidelijk donker wordt. Aan de pooltafel wat Afrikanen met wat jonge backpackers uit Europa (?), reggaemuziek uit de 1129-nettenmakergrote luidspreker die middenin de ruimte op de grond staat.
Op de menukaart in Dadson Lodge gezien dat er spaghetti is. Dat leek me wel wat. Maar toen ik terugkwam voor de spaghetti werd ik bozig van de ongastvrije houding van de dame in het restaurant en ben naar Florence gegaan voor een flink bord met rijst met een groente-‘stew’ en een tilapia-visje. Daar zat ik onder het bamboedakje naar de drukte op straat te kijken. De bevolking in Afrika groeit de pan uit en dat kun je hier heel goed zien: mijn hemel, kinderen in alle hoeken en gaten. Ze spelen, ze rennen, ze roepen, ze lachen. De kleinsten hangen in een doek op de rug bij de groteren, worden heen en weer geslingerd maar ze zijn rustig, lijken soms gewoon te slapen zo. En uit mobieltjes klinkt muziek, waarop de wat ouderen duidelijk hun nieuwe danspasjes aan het uitproberen zijn. Bij kinderen onder de tien zie je zo al hoeveel gevoel ze hiervoor hebben.