Song van de week (90): LCD Soundsystem – Call the police


Van de nieuwe CD, de vierde pas, maar wel inmiddels meer dan een handvol jaren na het afscheid van de band! James Murphy is back!
Nieuwe CD, dat wel. Maar ‘Call the police’ is wel héél erg 20e eeuw. And I like it! Het lijkt verdomd veel op Echo & the Bunnymen. En veel meer 80’er-jaren referenties. Heerlijke dancebeat. En een jammerende synth erdoorheen. Wat een sfeer!

Advertenties

Wrong & rotten

bty(Van Boetzelaerstraat, Amsterdam)

Echtgenootcreche

bty(Zwanestraat, Groningen)

De tolk van Java – Alfred Birney

Alfred-Birney-2-1050x670Met dit boek was ik al begonnen, toen ik nog op vakantie was in Frankrijk. Ruim meer dan een maand over gedaan. Was dat omdat ik er maar matig doorheen kwam? Nee hoor, absoluut niet. Was ik in een andere situatie geweest, dan had ik er vast zo lang niet over gedaan.
Nu is het wel een dik boek hoor, zo’n 525 bladzijden. Maar het heeft nog wel eens een tijdje liggen wachten op vervolg. De na-vakantie-drukte nam me in beslag. Weinig tijd genomen om te lezen. Bovendien heb ik een concurrent tijdens de late uurtjes voor het slapen gaan: afleveringen van Breaking Bed op mij iPad! 😉

Je zou bij de naam Alfred Birney kunnen denken aan een Engelse naam. Maar hij is Nederlands en heeft met dit boek de Libris Literatuur Prijs gewonnen. Zou hebben meegeteld, dat de geschiedenis van het gedrag van de Nederlanders in Indië weer hoger op de agenda komt, waardoor dit boek relatief zoveel aandacht heeft gekregen? In ieder geval lijkt me niet echt, dat de specifieke literaire kwaliteit de prijs rechtvaardigt. Het krachtige verhaal en het unieke perspectief doen dat zeker wel, maar een mooie schrijver, dat is Birney niet. Ik kan me goed voorstellen, dat hij met dit boek toch vooral z’n zegje wel heeft gedaan. Het is gewoon dit verhaal, dat moest worden verteld. En daar is echt alles bij voor te stellen. Natuurlijk is het een roman, maar het is ook het dubbele levensverhaal van de schrijver en dat van zijn vader.

Birney is begin jaren 50 geboren in Nederland; zijn vader had in de jaren daarvoor hard gevochten, als ‘Indo’ aan de zijde van de Nederlanders, in Indië. Dat hij daar niet blijven kon, dat was wel duidelijk. Maar eigenlijk had hij met Nederland ook niks. En wat hij allemaal ondergaan én uitgespookt had in de tien jaren daarvoor, dat is zo ongekend heftig, dat het wel is voor te stellen, dat hij zijn vijf kinderen opgezadeld heeft met een bizar en tragisch leven.
Dit boek gaat maar over één ding: trauma’s!

Vader, in het boek veelvuldig ‘De Arend’ genoemd groeit als onecht kind van een Nederlands-Indische koloniale boer/advocaat (en alcoholist) op bij zijn Chinese moeder, hij ontvangt zijn hele jeugd door de nodige pakken slaag (vooral van z’n oudere broers) en groeit op in een ijzeren discipline, vooral fysiek. Daar heeft hij later qua gehardheid nogal wat profijt van.
In tegenstelling tot de meeste van z’n maten kiest hij de kant van Koningin Wilhelmina. Op de één of andere manier heeft hij een groot dedain ontwikkeld voor wat toch eigenlijk z’n eigen volk is.

En dan komt de onafhankelijkheidsstrijd en is hij zelf 200 pagina’s aan het woord: de memoires van papa tijdens de laatste jaren van de koloniale tijd, tijdens de Politionele Acties en zo meer. Het is een verhaal vol van gruwelijkheden, maar tegelijkertijd ook vaak verteld als een ‘jongensverhaal’. De Arend is moreel en emotioneel totaal verknipt geraakt. Hij moordt er flink op los; in oorlogstijd kan en mag alles.
Ik verlangde lange tijd tijdens het lezen van dit deel naar het einde ervan.

De andere stukken gaan veelal over het leven in Nederland, vanaf de jeugdjaren van de schrijver tot de laatste jaren. Papa leeft zelfs nu nog, al enige decennia, op de vlucht voor alles en iedereen, aan de Spaanse kust; hij is al een eindje in de negentig.
De moeder kwam uit Helmond. Vader heeft moeder min of meer ‘gebruikt’ om ruimte in Nederland te krijgen. Moeder is nauwelijks minder verknipt dan vader. En zo groeien de kinderen harte- en liefdeloos op, heen en weer geslingers tussen ouders die er niks van bakken, vaak in internaten.  Tragisch, tragisch, tragisch.

Birney is alleen maar bezig met het een plaats geven aan de haatgevoelens jegens zijn vader, waarschijnlijk het meest om een tegenwicht te zoeken voor een vorm van zelfhaat die hem ook dwars gaat zitten. Een enorme bak vol onvermogens en ellende.

Het perspectief op de geschiedenis van Nederland in ‘de Oost’ is onthutsend. Wat weten we er eigenlijk vanaf, vraag ik me dan elke keer weer af. Mijn eigen ooms hebben er jaren gezeten, gewoon als dienstplichtig militair. Ik heb geen idee, wat ze er meegemaakt hebben; ze hebben er nooit over willen praten. Zouden zij veel hebben meegekregen van de wreedheden, zoals ze door De Arend worden opgetekend?

Het laatste stuk in het boek vind ik enerzijds het stuk, dat het boek uittilt naar een literair niveau, omdat het de vertwijfeling weergeeft vooral door het verschillend karakterperspectief van de schrijver en zijn tweelingbroer, die, hoewel ook totaal getraumatiseerd (ze kunnen bijna niet met elkaar overweg alleen maar door emoties die geen uitweg weten) toch totaal ánders aankijkt tegen zijn vader en de hele geschiedenis. Hij wil alle ellende begraven en haat het dat zijn broer alles maar blijft oprakelen.
Anderzijds zit in dit deel een bak pathetiek, die weer totaal de andere kant op gaat. Dat je denkt: ja joh, nou weet ik het wel; hou nou eens op met papa-bashen.
Alfred Birney heeft gelukkig zijn gitaar. Dat was hij het gros van z’n leven, gitarist en gitaarleraar. Dat zal een heel belangrijke uitlaatklep zijn geweest. Want met wat hij allemaal heeft meegemaakt, daarmee kun je nevernooit een gelukkig mens worden.
Ik hoop echt dat het schrijven en uitbrengen van dit boek hem juist dat heeft gegeven: een soort van verlossing. Ik kan me in ieder geval nauwelijks voorstellen, dat hij nog iets over heeft voor een ander boek. Dit lijkt me gewoon wat gezegd moest worden.

Song van de week (89): Bill Callahan – America

Geweldige clip! De tekst is al lekker cynisch natuurlijk, maar alleen de intonatie in dit liedje draagt het cynisme al voldoende!

Indivisibili

Eindivisibilien mooi gegeven om een filmverhaal op te baseren: twee mooie zusjes, 18 jaar, een eeneiige tweeling, zijn bij de heup aan elkaar gegroeid. Ze zijn sowieso al een bezienswaardigheid, maar kunnen ook nog mooi zingen. Hun vader (en moeder) melkt het uit: schrijft liedjes voor ze en laat ze her en der optreden. Bij communiefeesten en andere lokale evenementen. De pastoor heeft ze ook al ontdekt als ‘cash cow’. Ze lijken er tot dan toe makkelijk en vrolijk aan te hebben meegedaan.

Maar dan krijgen we zicht op de rafelranden in het geheel, enerzijds, en zicht een op een ‘way out’ voor de meiden anderzijds. Dus komt de boel in een turmoil.
In het begin denk je als kijker ook nog: vreselijk, wat een naargeestige omgeving! Waar ís dit? Het moet de kust zijn in de buurt van Napels. Maar dat het er zó verloren uitziet, allemaal, dat heeft een fotografisch doel in de film, dat ik niet helemaal doorzie.
Er duikt een dokter op, die pontificaal laat weten, dat de fysieke scheiding van de twee meiden goed te doen is. Vooral Dasy is boos: waarom hebben jullie (papa en mama) ons dit nooit verteld?
Zij heeft net sjans gehad met een zeer foute verleider. Een rijke stinkerd, een ‘impressario’, die er een hoerenhol op een heel duur zeilschip op nahoudt. Dasy wil wel. Viola is bang voor de scheiding: “jij bent alles wat ik heb”, zegt ze tegen haar zus.
Papa vergokt al het geld dat hij verdient met z’n dochters. Moeder komt er ook achter, maar vader kaatst de bal terug: jij bent altijd stoned van de wiet. Ruzie in de tent. Dochters pakken nu ook samen door: stik er maar in, papa, wij gaan zorgen dat we gescheiden worden. En dus op zoek naar de rijke stinkerd.

Die wil natuurlijk meer, en dat willen zij weer niet. Zo komen ze nachtelijk in zee terecht. Een veel te lang uitgesponnen scene. Je ziet ze minuten lang zweven onder de waterspiegel. Dus als kijker denk je: hmm, nu verdrinken ze dus. Maar dat kán helemaal niet, want het zou flauwekul zijn en de film is nog lang niet voorbij.
Dus liggen ze op het strand, bewusteloos en niet verdronken. Zo gebeurt het in kinderverhalen. Hè bah!

indivisibili2Dan een grotestke eindscene. Dasy blijkt het uiteindelijk goed geregisseerd te hebben, de slimme meid. Tijdens een soort processie, bij de opening van de nieuwe kerk (of was het nou iets anders?), zijn zij helemaal leading in de optocht en dan, plotseling, steekt ze zichzelf met een mes. Zou ze écht zelfmoord willen plegen?
Ze worden afgevoerd en dan het einde: Viola ligt in het ziekenhuisbed, ze zijn gescheiden. Ze gaat aan de wandel door het ziekenhuis. De scene is weer tergend traag. En ze vindt uiteindelijk haar zus. Niet dood dus. Gewoon in een andere kamer. Ze kruipen bij elkaar in bed, gescheiden maar omstrengeld. Ik denk nog: nou gaat ze doodleuk op de heup liggen, waar ze net is geopereerd, dat kan natuurlijk niet!
Vervolgens begint Viola langzaam Janis Joplin’s liedje over de Mercedes te zingen en langzaam begint ook Dasy mee te zingen.

Alles verklapt. Kan me niet schelen.
Je wordt goed meegenomen in de film. Het is mooi om naar te kijken, ook de verschrikkelijke desolaatheid van de vuile en rommelige stranden (het is bepaald niet toeristisch daar). De rollen van papa en mama zijn goed, mooi vuil spel. En de meiden zelf, in het echt ook zussen, ze zijn geweldig om naar te kijken in hun lange zilveren jurken. En ze spelen supergoed en overtuigend. Eigenlijk is dát het mooiste in de film: alles wat de meiden samen doen en hun gesprekken. Die focus, minstens de helft van de film, trekt de hele film over de streep.
Maar toch is er teveel in de film dat gewoon bestaat uit hyperdramatische vondsten, de geloofwaardigheid ver overstijgend.

Groningen – Hellendoorn

Fietstocht 5 september Het zou nog net goed gaan: de laatste zomerdag. De zon was al vertrokken, maar de temperatuur nog OK. Dus wel zuidenwind. Hmm, tegen dus. Maar goed: toch prima dag..

Kop leeg. Geen muziek. Fietsen maar. Langs die eindeloze Drentse hoofdvaart bijna in een trance. Veel geknisper onder m’n wielen van de eikeltjes die m’n wielen kliefden.

Dan bij Havelte het veld in, door gehuchten en dorpjes, die ik helemaal niet kende. Berghuizen. Toch een echt dorp, met kerk. Dan Koekange, waarvan ik het bordje ken omdat ik het vanuit de trein zovaak heb gezien. De Wijk, waar zoveel ooievaars resideren. Overal weer prachtige boerderijen, geweldige kronen van rode beuken.

En dan de Reest. Het Reestdal. Ja, het is echt een dal. Ik rijd langs de loop van deze rivier van 3 meter breed. Toch het hele gebied definiërend. In Oud-Avereest direct zulke geweldige zwartgeteerde boerenschuren.
In Balkbrug een heerlijke cappuccino op het terrasje van de lokale bakker. Dan in Ommen de Vecht over, langs de Lemelerberg en bij de finish: het vakantiepark van Hellendoorn, waar ik op visite ga.
De knieën protesteren inmiddels. Maar de beloning, de geklaarde klus, vergoedt alles.
De volgende morgen alles hersteld; ik zou terug kunnen gaan fietsen. Het had in ’t achterhoofd gezeten. Maar….. nu is het herst! En ik zou wéér tegenwind hebben. Dus de trein in Nijverdal maar opgezocht.