Een nieuwe eeuw…

Een nieuwe eeuw. Een groots vooruitzicht. Het jaar 2000! We waren even in een idiote paniek over veronderstelde softwareproblemen. Vitale IT-systemen waarbij bij het programmeren van de datum-notaties geen rekening is gehouden met de eeuwwisseling; systemen die er wellicht zomaar mee op zouden kunnen houden. Er waren onheilsprofeten die catastrofen voorspelden. Er gebeurde niets.
Niettemin, de eeuwwisseling was verleidelijk voor het tekenen van vergezichten.

Zo was ik bij iemand, eigenlijk per ongeluk, in gesprek gekomen over deze thematiek. Na wat biertjes vertelde hij laconiek dat hij soms wel het gevoel had, dat hij voorspellende gaven had. Hij had totaal geen zin om daar wat mee te doen, “want dan word ik er aan opgehangen en krijg ik te maken met allerlei mensen die anders naar me gaan kijken”. Ja, daar kon ik me alles bij voorstellen.
Maar ik moet nu nog vaak denken aan het gesprek wat we toen hadden. Omdat dit een beetje ‘omgedraaid’ verliep, heb ik er lange tijd weinig notie van genomen, is het op de achtergrond van mijn herinnering gebleven. Was dit écht een ‘mediumconsultatie’ geweest, dan had het vast heel anders uitgepakt.
Hierbij zo ongeveer hoe het gesprek verliep.

Ik: “Verdomd lekker hè, zo’n Triple biertje. Man, wat kan ik genieten van een Belgisch biertje, zo af en toe!”
Hij: “Ja nou, ik ook. Maar wacht maar af. Nog een jaar of twintig en iedereen is de gewone biertjes vergeten en drinkt verschillende biertjes, zoals we ook gewend zijn verschillende wijnen te drinken. Dan heb je in Nederland niet 20 brouwerijen meer, maar minstens 200. Dan zijn de speciaalbiertjes ook een stuk goedkoper. En iedereen ontwikkelt zich tot een echte smaakdrinker met bier. Roken doet dan trouwens ook bijna niemand weer, volgens mij. Ja, alleen de lagere sociale klassen nog.”
Ik: “Pfff, die moeilijke biertjes kun je toch niet lekker dóórdrinken, lijkt mij.”
Hij: “Ook daar zijn dan zeker hele lekkere doordrinkbiertjes bij hoor. Man, je wilt niet weten, wat er allemaal verandert in de komende 20 jaar. Je herkent de wereld niet meer terug.”
Ik: “Oja? Vertel!”
Hij: “Jij vindt die band Coldplay toch fantastisch? Nou, die gaat met de volgende CD totaal doorbreken en daar ga jij dan weer lyrisch over doen, zoals jij dat zo goed kunt. Maar nog maar tien jaar en dan is het een stadionband, die verschrikkelijke zeikmuziek maakt. Jij kotst die zeurstem van Chris Martin helemaal uit, daar ben ik bijna zeker van. En nog wat later gaan ze potdorie popi-Abba-achtige muziek maken. En iedereen vindt het geweldig!”
Ik: “Doe ff normaal man!”
Hij: “Je weet je sowieso over vijftien jaar geen raad met de populaire muziek. Je ziet nu nog gebeuren, dat de popmuziek-focus geleidelijk naar steeds jongere ‘kinderen’ gaat, maar dat is dan niet meer zo. Dan zijn het gewoon de adolescenten zelf die uit hun dak gaan van superflauwe zeikmuziek en de hele muziekjournalistiek gaat erin mee. Iedereen met een gitaar, een slimme producer en een zwijmeltekst kan de boer op. De schlagerzangers gaan rappen en de rappers gaan zwijmelzingen. Erg leuk bijverschijnsel is wel, dat alles dan ‘live’ zal zijn. Logisch ook, want omdat je alles te allen tijde via internet op je telefoon kunt luisteren, hoef je nooit meer muziek te ‘kopen’.
Ik: “Op je telefoon?”
Hij: “Ja joh, op je telefoon. Nou, daarvoor hoe je geen voorspellende gaven te hebben hoor. Dat we dan met kleine computertjes rondlopen, de godganse dag, daarvan is de markt zich allang doordrongen. En die computertjes zijn ook muziekstations natuurlijk. Iedereen kan de muziek ook stante pede met iedereen delen. Dus gaat die hele muziekmarkt er ook anders uitzien. Fotografie wordt ook uitverkocht. Iedereen wordt dagelijks snapshotkunstenaar met een camera op je telefoon met een fotokwaliteit, waar je nu 1000 gulden voor betaalt.”
“Wat nogal lullig is: de muziek wordt dus nogal lieflijk van karakter. Daar zit helemaal geen pit meer in. Kijk maar naar Coldplay. Nee hoor, Rage against the Machine hoor je dan niet meer! Haha!”
Ik: “En zien die weekdieren er dan ook heel anders uit dan nu?”
Hij: “Zeker! Daar gebeuren écht rare dingen. Ik zal je iets heel geks vertellen, dat geloof je vast niet, maar ik weet het bijna zeker: alle mannen gaan met baarden rondlopen.”
Ik: “Hahaha, jaja, lekker zeg! Dat slaat helemaal nergens op! Krijgen we dan weer een geitenwollensokkenwereld of zo?”
Hij: “Neenee, dat zie je verkeerd. Die baarden zijn dan hip. En in no time is de hele blik op baarden veranderd. Ga zelfs jij ze nog zien als trendy en, echt waar: stoer.”
Ik: “Ik kan me er geen voorstelling van maken.”
Hij: “Weet je wat je nu voor vak zou moeten leren, als je echt slim bent? Kapper, dat moet je worden. Of, als je nog slimmer bent: ondernemer in kapsalons. Dat gaat exploderen. Nu denk je nog: ik ga naar de kapper als m’n haar te lang is. Dat wordt heel anders. Over 15 jaar gaan de mensen naar de kapper ‘voor de mooi’, eigenlijk zoals veel vrouwen dat natuurlijk al jaren doen. Maar dan geldt ’t voor iedereen, juist ook voor de jonge mannen. Alle trendy jongeren zitten dan elke maand een vol uur bij een kapper. Die noemt zich dan trouwens ook geen kapper meer. Dat zijn allemaal ‘styling saloons’ en zo.”
“En op straat zie je keurig nette jongeren met rose, groen of blauw haar. Nee, geen punk, niks agressiefs. Gewoon de regenboogkleuren. Heel gek trouwens: zo makkelijk als de bevrijding van conventies toeslaat op dit uiterlijk gebied, zo de andere kant op loopt het met de moraal. De vrijheid van de laatste 30 jaar gaat helemaal verdwijnen. Tegen de tijd dat het 2020 is, gaan de jongeren pas aan de seks als ze al rond de 20 jaar zijn. Niet omdat ze preuts zijn, nee, ze vinden het gewoon allemaal niet zo’n ‘big deal’.”
Ik: “Mijn hemel, wat een bizarre ontwikkeling schets je!”
Hij: “Ach niet alleen de jongeren hoor. Ook bij de ouderen verandert er heel veel. Je ziet nu heel soms zo’n fiets, die ook van een motortje is voorzien, met een accu erbij. Over twintig jaar rijdt iedereen op zo’n ding. De ouderen sowieso, die worden een gevaar op de weg. Heeft natuurlijk geweldig voordelen hoor; de ouderen blijven veel langer mobiel. Ik zie jou al op je sportfiets, lekker fanatiek, maar de hele tijd voorbijgesneld door ouderen op hun luxe fietsen met geruisloze motortjes. Je ziet ze nauwelijks nog, die motortjes. En het betreft trapondersteuning hè, logisch want het gaat wel om het ‘nog zelf moeten fietsen’, maar dan superlicht.
Nog gekker is, dat ook de jongeren massaal op onwijs hippe elektrische fietsen gaan rijden. Eerst denk je nog: waar slaat dat op. Maar ja, als ze daardoor niet met de bus naar school hoeven. De actieradius, bij de keuzen die mensen maken, die wordt gewoon een stuk groter. Miljoenen mensen betalen voor zo’n fiets, wat jij nu voor een auto uitgeeft. En dan heb ik ’t nog niet eens over de trendy stadsfietsen gehad. Ook malle fietsen zónder versnellingen en zonder motortje: hippe nieuwe fabriekjes gaan ze maken en voor duizenden euro’s op de markt brengen, fietsen van hout, fietsen van kunststof. Je denkt: waar slaat dit op. Maar ja, het hangt allemaal samen met de gigantische verhipstering van de samenleving. Nu is hipster nog een woord voor een kleine trendy voorlopersgroep. Dat is straks voorbij: het woord wordt vergeten, want iedereen is hipster.
Ik: “…..”
De gedachten tollen aardig door elkaar heen. En dat merkt hij ook op.
Hij: “Joh, er zijn zoveel kleine structuren in ons leven, die gewoon gaan verdwijnen. Misschien dat onze generatie zich er nog een beetje aan vast blijft klampen, we zijn natuurlijk ook gewoontedieren. Maar de volgende generatie gaat echt niet meer TV-kijken op een moment dat het programma in de gids aangekondigd staat. Als je alles kúnt bekijken wanneer je dat wilt, dan ga je dat ook gewoon doen. Wij hebben nog een nostalgisch ‘bord op schoot’-gevoel bij het voetbal op TV op zondagavond om zeven uur. Daarbij kunnen onze kinderen zich al weinig meer voorstellen en de generatie daarna haalt al helemáál de schouders op. Zeg nou zelf: slaag jij er nog in om zeven uur zondagavond de uitslagen van de ’s middags gespeelde wedstrijden nog niet te weten?
Speelfilms worden dan ook niet meer geprogrammeerd. Die kun je immers altijd en overal zien en naar eigen keuze. De hele programmering is dan…. reality-TV. We vinden die Big Brother-toestanden nu nog heel bijzonder, maar tegen die tijd wordt zo goed als alle TV, zeker bij de commerciële omroepen, volgens dat concept gemaakt. De hoofdrolspelers op TV zijn we dan allemaal, met z’n allen. Beroemde mensen zijn beroemd omdat ze op TV komen in plaats van andersom. Of ze ook iets kúnnen, dat is niet zo belangrijk. En in al die programma’s figureren mensen zoals jij en ik, gewoon in hun eigen particuliere leventje. Afgezien van jou wil namelijk iedereen zijn 15 minutes of fame hebben. En die gaan ze krijgen. Ja joh, alles wordt platgeslagen. Heilige huisjes bestaan dan echt niet meer. En ook nauwelijks nog iemand die ‘u’ zegt.
Ik: “Dat laatste had ik ook wel voorspeld.”
Hij: “Maar dat had in onze tijd een heel andere achtergrond. Het heeft nu niks meer te maken met hiërarchieën, met de dingen waar wij ons tegen afzetten. Dat geldt voor de jonge mensen helemaal niet meer. Kranten dan. Denk jij dat mensen die nog lezen over twintig jaar?”
Ik: “Jawel toch? Ze zullen we een beetje mee veranderen, maar dat zal toch op de inhoudelijke verschillen duiden, lijkt je niet?”
Hij: “Ja, daar zul je wel gelijk in hebben. Maar ik denk niet dat de meeste jongeren dan überhaupt nog een krant lezen. De nieuwsinteresse is daarvoor dan te vluchtig. En aangezien alles er altijd stante pede maar is, blijft niemand ergens in hangen. Niemand gaat nog diep op zaken in. En aangezien alles altijd direct bij iedereen kan zijn, ga je jezelf onthand voelen als dat even niet zo is. Onbereikbaar zijn voelt dan zomaar alsof je zonder gordel in de auto zit, of zonder helm op een motor. Dat voelt fout. Dan raak je in paniek. Dat soort continue stress is dan onontkoombaar en wordt de rode draad in ons bestaan. Nooit meer alleen zijn, altijd met jouw privé-geconfigureerd venster op jouw netwerk. En dat netwerk raast maar door, in continue communicatie. En dan niet in allemaal 1-op-1 gekwaak, nee 1-op-N en ook N-op-N. Het razende netwerk.
Ik: “Man, man, wat een apocalyptisch orakel ben jij aan het schetsen. Volgens mij zijn we over 15 jaar nog helemaal dezelfden hoor, met ons  particuliere geknoei en gedraai.”
Hij: “Heb jij gelijk. Maar dat staat dus ook niet tegenover wat ik je allemaal vertel. Dat is de valkuil juist. Daardoor heb je niet eens in de gaten, dat de wereld op z’n kop staat. Maar zeg jij maar, of je het allemaal zo top vindt. De meesten van ons, leeftijdsgenoten, durven er niet al te veel afstand van te nemen, bang als ze zijn voor een ouwe zak versleten te worden. Zeiden wij immers niet hetzelfde tegen ónze ouders?
Maar zullen we nu maar weer over koetjes en kalfjes gaan praten? Of gewoon over iets wat ons beiden persoonlijk roert? Want als we zo doorgaan, komen we nog uit bij de Verenigde Staten en wie er dan president zal worden.”

 

Een onthutsend inkijkje in onze Belastingdienst

‘Leuker willen we het niet maken, wel enger.’ Dat lijkt me sinds vorige week een realistischer variant op ‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’. Er overkwam me iets heftigs. Misschien wel des te heftiger omdat het als een totaal onverwachte onweersbui uit de lucht kwam vallen, tijdens een erg leuk feestje.

“Weet je wat ik nou zo geweldig vind”, zei M. tegen mij, over de muziek heen, “nou, dat is dat de administratief medewerkster en de secretaresse gewoon met de belastinginspecteur staan te dansen. Zie je dat? Wat is dat mooi toch, dat dat dan zomaar kan!”
Eén van de feestmutsen werkt bij de Belastingdienst. Een flink aantal collega’s van haar was bij dit feest.

Het duurde even tot het tot mij doordrong. Ik werd uit de losse, al-wat-later-op-de-avond sfeer ineens teruggetrokken naar een beschouwende scherpte, die op een totaal ándere manier zich ook getriggerd wist door de biertjes die al het keelgat in waren gegaan. Huhhh, wat betékent dit?, drong zich aan mij op.

“Wat bedoel je? Dat de secretaresse zich eigenlijk verlaagt door met de belastinginspecteur te dansen?”
Hij vatte dat als een grapje op en sloeg me op mijn schouder. “Hahahaha!”
“Nee, zonder dollen. Dat zie je overdag écht niet hoor; dat ze zich zo als gelijken gedragen bij elkaar. Dan is het toch heel mooi, dat je ziet dat het bij zo’n feestje wél kan. Toch?”
“Toe maar joh, dansen met de belastinginspecteur. Is dat een eer of zo?”
“Nou, dat moet je toch begrijpen hoor. Dat zijn verschillen hoor! Maar toch mooi, dat daar op zo’n avond dan gewoon overheen gestapt kan worden! Dat vind ik nou geweldig!”

En M. keek heel genoegzaam de zaal in, naar ‘z’n jongens en meisjes’, nam beschouwend nog een slokje van z’n bier, z’n andere hand in z’n zak.
“En zie je daar, die naast die blonde, zie je wie ik bedoel? Nou, daar moet je geen conflict mee krijgen hoor! Dan ben je mooi de sjaak!”
“Wat bedoel je,” zei ik, “hij ziet er toch niet echt als een krachtpatser uit?”
“Hahahaha, nee, haha, maar je snapt wel wat ik bedoel.”
“Nou nee, ik snap het niet.”
“Nou ja, dat je flink in de problemen zit als hij je te grazen neemt.”
“Ik snap het nog steeds niet. Waarom zou hij mij te grazen nemen dan?”
“Haha, gekkigheid hè! Nou is hij ook nog van de grote bedrijven. Heel wat bedrijven doen het in hun broek voor hem, dat kan ik wel zeggen! Als hij in je boeken komt, nou berg je dan maar!”
“Ahh, is dat wat jullie leuk vinden of zo?”
“Hahahaha. Ja, hahahaha. Dat is de Belastingdienst hè! Daar zijn wij van.”
“Wat is er dan met belasting? Ik dacht dat jullie juist een positieve positie zoeken ten opzichte van ons, de betaler. Het gaat toch om het kunnen bekostigen van alle onze publieke voorzieningen en zo?”
“Hahahaha!! Hahahaha!!! Hahahaha!!” M. kwam niet meer bij, hij sloeg zich op de knieën van de pret!!

Later werd ik nog een beetje sardonisch toegelachen door vrienden: ‘haha, wat zat jij op de kast zeg!’. Maar het laat me toch maar moeilijk los hoor, zo’n onverwacht en onaangenaam inkijkje in de cultuur van de Belastingdienst.

Song van de week (83): London Grammar – Truth is a Beautiful Thing

Het titelnummer van de nieuwe CD van London Grammar. Hannah Reid is by far de zangeres met de allermooiste stem van de afgelopen 10 jaar!! En wát een plaat is dit weer; wat een prachtige emotionele liedjes!

Pas op!!

dav Bij het menu van een Thai’s restaurantje op de Nieuwmarkt in Amsterdam.

Godfried Bomans – Erik of het klein insectenboek

bomans-erikHoe kom je er nu bij om in 2017 “Erik of het klein insectenboek” te lezen? Welnu: nogal toevallig; het lag in de schappen buíten de boekenwinkel. Het kostte 4 euro. En dan denk ik spontaan: ach, wat leuk; zoveel van gehoord, maar nooit gelezen. In feite dénk ik niet eens, ik pak ’t op en in reken ’t af, nog voor ik er goed en wel over heb nagedacht.
En nu is het uit. En nu weet ik pas, waar dit verhaal eigenlijk over gaat.

Bomans schreef het in 1939, toen hij zo’n 25 jaar oud was. Het is veruit zijn meestgelezen boek. Al voordat WOII voorbij was, was het in elf verschillende oplagen gedrukt. Bomans was in de jaren 60 een echte BN’er. Misschien wel een beetje iemand als Maarten van Rossum of zo. Of Philip Freriks. Hij zou inderdaad nét de persoon zijn voor het jaarlijks vaderlands dictee, dat zopas is afgeschaft.
Ook was-ie een soort Simon Carmiggelt, vooral beroemd om columns, krantenstukjes en andere ‘kleine werken’. In 1971 was hij op uitnodiging (van wie ook alweer?) een tijdje op Rottumerplaat, waar kort tevoren ook Jan Wolkers een tijdje verbleef. Ze schreven als publiek figuur vanaf het eiland óver het eiland. Zoiets. Het bekwam Bomans niet goed, hij werd wellicht óp het eiland ziek en stierf kort erop op 58-jarige leeftijd.

bomansNatuurlijk heeft nauwelijks iemand onder de 30 jaar oud nog van Bomans gehoord. Hoewel hij overleed toen ik slechts 9 jaar was, herinner ik het me nog goed en is hij voor mij altijd een dode BN’er geweest.

Over Erik of het klein insectenboek. Het is slechts 130 pagina’s dik en het leest als een ‘verhaaltje’. Erik is 9 jaar en ligt in bed te fantaseren over ‘grote dingen’. En die komen er zomaar. De plaatjes aan de wand beginnen te leven en even later ‘verdwijnt’ hij zelf in een lijst en duikt op in de wereld Wollewei, waar het wemelt van de verschillende insecten. Erik zelf is ook verkleind tot de grootte van een insect.
Hij beleeft allerhande avonturen met en bij de insecten. Hierbij etaleert Bomans zijn taalkundige spitsvondigheden en stilistische talent optimaal. Het is heerlijk pseudogewichtig om te lezen, beetje à la Marten Toonder. Aan het einde belandt hij in een mierenoorlog, krijgt mierenzuur in z’n ogen en wordt weer wakker in z’n bed. Ondertussen is-ie een maand in de insectenwereld geweest. Wat natuurlijk alleen hij weet en denkt.

De belevenissen zijn heerlijk om te lezen. Erik etaleert zijn kennis van de insectenwereld aan de hand van de insectendeskundologie van ‘Solms’, die een boekje heeft geschreven, dat (kennelijk) door Erik op school is doorgewerkt. De insecten vinden het allemaal gewéldig wat hij allemaal weet over het insectenleven; veel dingen die zij zelf helemaal niet ‘weten’. Dat verschaft hem grote status in de insectenwereld. Hij verstoort ook het evenwicht; laat de insecten ‘denken’, waardoor ze hun instinct verliezen. Dat levert gevaren op.
De insecten zijn alle erg serieus, goed bedoelend, meelevend, maar anderzijds ten opzichte van elkaar, heerlijk meedogenloos. Er vallen veel doden in het boek. Maar er wordt overal heerlijk luchtig over gedaan. Erik is ook nogal makkelijk in het meebewegen; blijft kind, maar dan wel een bijzonder kinderlijkfilosofisch kind.

En voor je het weet heb je het boek weer uit, is Erik terug in mensenland en is hij toch best teleurgesteld in het mensenleven na zulke avonturen te hebben beleefd. Maar met Erik komt het ook weer goed.

Dat dit boekje nou zó beroemd was, een jaar of 60 geleden, dat verwondert me wel een beetje. Het heeft de tijd min of meer overleefd, maar ik denk toch echt, dat het nu – als het nu zou verschijnen – op weinig succes zou kunnen rekenen.

Er gaat niets boven Groningen

sdrEen weekje eerder een rondje naar Lauwersoog en terug, zo’n honderd kilometer, deze zondag een ander rondje gemaakt. Maar net zo fijn, net zo heerlijk. T.a.v. de condities zelfs nog wat fijner, want minder last van venijnige tegenwind.

dav

Zo rondfietsend schiet te telkens door m’n gedachten: het werkt net als bij alle andere aspecten van de liefde: in z’n uiterlijkheid is het niet precies duidbaar, wát het nu precies is, helemaal rationaliserend, is, dat je hart laat opengaan voor iets. Als dat immers wel zo zou zijn, dan zou naar aanleiding van mijn verhaal, iedereen die er notie van neemt, subiet per fiets het Hogeland van Groningen doorkruisen. En dat gebeurt helemaal niet.
Stel je voor dat het optelbaar en aftrekbaar zou zijn, dan zouden we met z’n allen bij hetzelfde uitkomen. Da’s geen doen.
Toch draag ik graag uit dat ik zo verzot ben op dit wijdse land. En toch geldt daarbij ook, dat ik ergens diep van binnen anderen wil overtuigen van de schoonheid ervan.

We namen de Wolddijk de stad uit, helemaal tot het einde ervan, bij het mooie torentje van Westerdijkshorn. De monumentale antieke boerderij ernaast is te koop! Wow, een paradijsje. Kijk maar eens op Funda!! Je krijgt (‘als het ware’) de davtoren erbij. Het was dan ook de boerderij die vroeger erbij hoorde. Er heeft in de 19e eeuw een oud kerkje gestaan.

Daarna langs het Boterdiep naar Onderdendam. Het terras bij restaurant in de molen was helaas nog dicht. Wel een aanbeveling om hier eens te gaan eten. Hier moet echt een topkok zitten; is al vaak over verhaald en geschreven, her en der.
davVerder langs de Middelstumermaar naar Middelstum en verder naar Huizinge. Aan het randje van deze mooie wierde (nee, ik mag geen terp meer zeggen van Groningse vriendin!) staat een klein maar stoer kerkje de uitgestrekte gras- en graanlanden te overzien. Een éénsteensbreed eeuwenoud kerkepaadje leidt ons naar de oude zerken om de kerk heen.
Vlakbij Huizinge enige uren bij vrienden in de tuin doorgebracht. Heel bijzonder daar: een volière met geweldig mooie ara’s erin. Sowieso bijna onwerkelijk: een weelderige tuin met bos, bomen, moeras etc. van enige hectare groot, als een oase in het open landschap.

Verder via Garsthuizen, Eppenhuizen naar Zandeweer. Hoogholtje over en fietspaadje davnaar de Uithuizermaar naar Uithuizen. Daar bevindt zich één van de mooiste borgen van de provincie: de Menkemaborg.
Dan langs de oude weg, zoals-ie vroeger gebruikt werd van Groningen helemaal naar Roodeschool, langs de statige Hogelandster boerderijen terug via Usquert richting Warffum. Er ligt nu een ‘snelweg’ (nouja, een doorgaande weg), waarlangs ook een fietspad, voor de doorfietsers, maar de oude weg zigzagt nog de oude route.
davUsquert was vroeger waarschijnlijk een echt notabelendorp. Mijn hemel van een mooie villa’s van rond 1900 staan daar te pronken. Stuk voor stuk zitten er woongenieters in; ze zijn allemaal picobello onderhouden en over de tuininrichting is goed nagedacht.
Usquert is ook nog een beetje ‘bekend’ van het vroeger gemeentehuis: een ontwerp van Berlage. Heel bijzonder.

Toen naar Warffum voor een etentje bij vrienden in de tuin. Oei, weer zo’n prachtig opgeknapt notabelenherenhuis uit 1910. Hoge plafonds met ornamenten. Prachtige vensterbanken onder de ramen, waarbij je weer even beter begrijpt, waarom in dit algemeen gebruikte woord het woordje ‘banken’ verscholen ligt.

digNa het eten moesten we nog een beetje voortmaken: nog zo’n 25 kilometer te gaan en proberen (terug naar Onderdendam en vandaar de Wolddijk wederom) voor het donker weer terug in ‘stad’ te zijn. Dat lukte.

 

Song van de week (82): Nils Frahm – Montreux Jazz Festival 2015

Dit hele concert is fenomenaal mooi. Maar mag ik speciale aandacht, als je toch niet zóveel tijd hebt om te luisteren, voor het stuk dat begint op na 32.30 minuten en daarna zo’n minuut of 7 doorgaat? Het bouwt eerst rustig en ‘computerig’ op, maar na een paar minuten stapt hij door naar de piano, blijft de electronica doorgaan, maar gaat de piano stromen als een waterval. Om met open armen onder te gaan staan en weldadig op je neer te laten kletteren. Hemels!
Trouwens ook om naar te kijken: de close-up opnames zijn prachtig!