Beringin

Deze boom vonden we in 2006. We fietsten toen, mijn vriendin en ik, rondom Ubud en troffen ‘m ergens langs de weg. Je ziet wel vaker die gigantische berringin-bomen, met hun loodrecht naar beneden hangende takken die op het moment dat je de bodem raken ook wortel schieten en daarna van één boom een samenstel van bomen maken. Om om deze boom heen te lopen, was in 2006 wel zo’n vijftig stappen. Een geweldig massief geheel, ook juist op de foto’s van afstand.

We maakten twee weken geleden deze fietstocht nog eens. Nu dus met mijn dochter en haar reisvriend (ik zocht hen op tijdens hun backpacktocht door Zuidoost-Azië). Trof de boom erg gehavend aan. Aan de zijde van het kleine tempeltje was minstens eenderde van de boom verdwenen. En aan het tempeltje te zien, was daar geen menselijk beleid bij te pas gekomen: helemaal aan diggelen.

Aan wat mannetjes gevraagd, wat er aan de hand was. Ze vertelden mij, dat het juist 2 weken geleden zo geweldig veel geregend had, dat de takken met bladeren topzwaar waren geworden en dat er héél veel naar beneden was gekomen. Jammer zeg. Pál voordat ik de boom weer eens kwam bekijken!
Hij blijft nog steeds indrukwekkend en zal ook vast wel weer herstellen. Hij gaat immers ook al wel 500 jaar mee of zo. De Balinezen met wie ik sprak vertelden me ook, dat er veel andere beringgin-bomen een stuk kleiner zijn, maar veel ouder. Zoals ook die twee op 200 meter afstand van deze op het plein van een tempelcomplexje. Die worden namelijk goed onderhouden en deze, min of meer vrijstaande op een weilandje, wordt dat veel minder. Dat was ook de reden, dat-ie zo topzwaar was geworden. (Op de foto’s zie je steeds eerst 2006 en daarna 2012.)

Mount Batur

Op Bali hebben we ook een vulkaan beklommen. Niet de hoge kegelvulkaan Agung, die meer dan 3200 meter hoog is. Dan moet je nóg een stuk vroeger op om de zonsopkomst boven te aanschouwen. Wel de Batur, die een kilometer of 30 westelijk van Agung ligt. Op de top ben je op 1750 meter hoogte. Deze top ligt aan de westkant van een meer op 1000 meter hoogte. Origineel een kratermeer natuurlijk. Aan de andere kant van het meer is de top 2100 meter hoog. Er zijn op Bali nog meer pieken van boven de 2000 meter.

Om de Batur te beklimmen gingen we met een gids om 4 uur ‘s morgens omhoog. Eerst een heel eind door het bos en toen het laatste stuk door struikgewas en knap steil omhoog klimmend. Geleidelijk werd het lichter en opende zich het gehele landschap; de vergezichten op de andere vulkanen. Op de foto zie je Agung als een ‘schaduw’ achter de vulkaan aan de andere kant van het meer.
Op de top aangekomen voelt het alsof je op een speldeprik-top staan: aan alle kanten om je heen gapende diepten. Het is het hoogtepunt van een kraterrand, die zo goed als helemaal rond loopt, weliswaar op verschillende hoogten. Het is echt magisch om daar te staan, bij zonsopkomst en heel Bali om je heen te zien. In de verte zie je ook de Rindjani-vulkaan op Lombok, die wel 3700 meter hoog is.

We kregen boven ontbijt bestaande uit gebakken banaan en gekookte eieren. Deze zijn verhit door ze te leggen in een rotsspleet, waar hete gassen uit komen. En een dikke bak koffie erbij.
Op die top zo’n drie kwartier geweest, genietend van uitzicht en van het ontbijt. Daarna een langere tocht de andere kant langs naar beneden. Dat was een spectaculair stuk wandelen over de kraterranden. Vaak een stukje van 40 centimeter breed en aan weerszijden gruwelijke dieptes. Niet bepaald een plaats om even rustig om je heen te kijken of een klein misstapje te maken. Vraagt wel enige concentratie en het indammend van verkeerde gedachten.
Om een uur of negen waren we beneden en om tien uur achter in de laadbak van een bemo-truckje onderweg naar Ubud.

Op de markt in Ubud

Een echte fotograaf ben ik niet. Te weinig geduld en te weinig aandacht voor techniek en zo. Maar ik vind ‘t wel leuk om op zoek te zijn naar een mooie foto. Deze maakte ik op donderdag 3 mei op de markt van Ubud, op Bali.
De markt op de begane grond, deels binnen deels buiten, is vol en redelijk druk. Maar het lijkt niet echt goed te gaan met de markt. Er zijn ook marktgedeeltes op 1e en zelfs 2e verdieping in open gebouwen. Ik liep daar naar boven; er waren daar ook verloren kraampjes met kleren en andere dingen. Er zaten verveelde dames, die bijna schrokken van mij: een toerist, een toerist!! En dan moet je nog je best doen weer van ze af te komen.

In het trappenhuis maakte ik deze foto. Deze meneer liep heen en weer met deze manden, dus ik kon even rustig afwachten totdat hij op de juiste plek was voor de foto. Dus toch beetje ‘compositie’ en niet uit de losse hand als geluksfoto. Ik vind ‘t m’n mooiste foto van de vakantie van 2 weken op Bali.

Huid en haar

Ook op Bali gelezen: Huid en Haar van Arnon Grunberg. Het laatste dat ik van ‘m las was Tyrza. Ook toen lang gedacht: hè, ‘k weet ‘t, er zit iets in zijn taal in zijn sfeer, dat ik niét lekker vind om te lezen. Maar ja: literatuur moet ook ‘werken’ kunnen zijn. Je leest niet alleen voor je lol: ik wil ook graag beleven, dat het een struggle kan zijn. (Kan toch?)
Maar toen viel in het Tyrza-verhaal, alles aan het einde zo fenomenaal knap zo in elkaar! Daar was ik helemaal van onderste boven. Sindsien verwarring: die rare Grunberg is toch geniaal zeg!
Nu dus Huid en Haar gelezen. Dit boek kreeg ook prijs op prijs en alleen maar geweldige recensies. De eerste tweehonderd bladzijden (van de meer dan 500) voelde ik me nog prima: er komt straks een plotontwikkeling, dacht ik.

Die kwam dus helemaal niet!
Het wordt alleen maar erger en erger. Het heeft wel iets van een naargeestige klucht. In eerste instantie neem je de hoofdpersoon nog helemaal serieus. Maar geleidelijk laat ook deze zich van z’n eigen sokkel blazen door imbeciele acties die alleen maar voortkomen uit sexdrift.
Het krijgt allemaal een hele naargeestige sfeer. De intellectuelen zijn diep in hun boeken om heel geconcentreerd een thema uit te kauwen, maar ondertussen zijn ze allemaal triest en lelijk en eenzaam en leugenachtig.
Natuurlijk klopt het wel, wat al de recensenten schrijven: Grunberg schrijft veel treffende aforismen en zijn dialogen lopen heel goed. Maar er zijn ook recensenten die schrijven, dat dit boek zo humoristisch is. Daar heb ik dus geen gevoel bij. Ik vind ‘t het allemaal alleen maar triest.

Gek genoeg heb ik dit boek toch ook met veel aandacht gelezen en geen moment gedacht er mee te stoppen. Is toch wel een knappe schrijver hoor, die malle Grunberg. Maar ik denk dat het wederom enige jaren duurt, vooraleer ik weer een boek van ‘m pak.

Het boek Ont

Terug van 2 weken vakantie op Bali! Daarom een radiostilte op dit weblog. Ben er nu dus weer en heb ondertussen ook een paar boeken gelezen. “Het boek Ont’ van Anton Valens kreeg ik mee van m’n vriendin en las het al deels on the plane naar Jakarta. Op Bali uitgelezen en er geweldig van genoten!

Voor mij, en voor alle (ex-)Groningers is het boek dubbel leuk om te lezen, omdat je allerhande situeringen aantreft, die je zo voor je kunt zien. Voor veel Amsterdammers is zoiets erg normaal, maar zoveel literaire verhalen (waarvan bovendien de schrijver zijn publiek niet alléén maar binnen de Groninger grenzen zoekt) gaan er niet over Groningen. Ik ken nog ‘Onder professoren’ van Hermans, en ook Maarten ‘t Hart’s personages waren nog wel eens in de buurt van Groningen, maar veel verder kom ik niet.

Het boek Ont verhaalt over de nobody Isebrand Schut, die woont tegenover de Aa-kerk. Hij brengt zijn dagen in nogal wat ledigheid door, nadat hij zijn laatste baan bij een callcenter is kwijtgeraakt. Hij komt nog wel aan het werk als ‘toiletjuffrouw’ in ‘de Metro’. Da’s de ondergrondse openbare toilet naast het Stadhuis in Groningen. (Ik beken, dat ik zelf daar nog nóóit naar beneden ben geweest; toch gauw eens doen!)
Hij heeft een praatgroepje voor ‘verloren mannen’, zelf opgezet. Dat is het stramien voor het boek. Na telkens aan aantal korte hoofdstukken duikt er weer een praatsessie op. Een hemeltergend sneue bedoening, maar het is om je te bescheuren. Valens maakt van al zijn misantrope karakters karikaturen, maar het blijven wel full characters. Da’s knap hoor!
En dan komt er een gladde zakenman, die ook bij de praatgroep wil. Isebrand laat zich meeslepen en gelooft er zowaar in, dat deze man ‘m uit de stront kan trekken. Niet dus.

Deze gladjanus heeft ook nog een bijna uit het zicht geraakte originele kant, een inhoudelijke kant. Die komt tot uitdrukking in de wijze, waarop hij het voorvoegsel ‘ont’ probeert te analyseren in alle woorden, waarin het wordt gebruikt. Hij komt er feitelijk niet uit, wat nou de bindende kern van betekenis is van dat voorvoegsel. Isebrand probeert met de gedachtengangen mee te gaan, in de hoop dat hij ook een originaliteitstalent weet aan te boren. Dat werkt dus niet.
Maar uiteindelijk komt onze tragische held toch uit bij een plausibele betekenis. Helaas is de gladjakker dan al onderuit gegaan, met al z’n miljoenen.
De andere personages vormen een geweldig mooi behang. Voor Ebel Formsma, de baas van de Metro, de ras-Groninger, waarbij je tussen de regels door kunt lezen, dat-ie veel slimmer is dan hij zich voordoet; dat achter zijn ruwe bolster blanke pit-imago telkens een intelligente analyse zit.
Met Isebrand wordt ‘t niks, maar het is geweldig leuk om te lezen, met hoeveel oprechte dagelijksheid en verwondering ook zo’n leven de moeite waard is. Als-ie nou eerst maar eens over zijn groet-angst (hij durft buren op  straat niet te groeten) heen komt, dan komt de rest ook wel.

Het boek Ont heeft geen geweldige opbouw of plot. Maar wat mij betreft had het nóg wel 300 bladzijden extra mogen hebben. Een heerlijk veel te kort feuilleton, als het ware.

Wil de Orka

Vorige week op de Vismarkt in Groningen. Deze winter stond hier nog de grote kerstboom van oude fietsen. Een productie van Maria Koick van Bas-Is (www.bas-is.nl) een creatieve ontwerp- en productiebedrijfje.
Nu heeft Maris ook deze orka gemaakt. Hij lag tot afgelopen week op dezelfde plek als waar de kerstboom stond.
Het betreft een interactief project. Als een ‘flashmob’ werd iedereen uitgenodigd om op 15 april mee te helpen aan een grote schoonmaak: “Ben jij die troep op straat ook zo zat? Vis de troep van de straat en maak deel uit van de Grootste Flashmob van de lente! Bouw mee aan een levensgrote WILDE ORKA van zwerfvuil op de VISmarkt!

Het project heette dan ook “De wilde Orka”: www.wildeorka.nl.
Er hing ook een groot gedicht bij, van Stefan Nieuwenhuis, de Groninger stadsdichter.

Ik vermoed dat het jou ook
is opgevallen dat straatafval
nooit mooi glimt of glanst
hoe de zon er ook op schijnt

nog een reden voor de opruim

laten we het samen doen want
de petflessen zijn in aantocht
de aanvoerders van het vullis
willen ons verpletteren

laat ik het zo zeggen

de mate van beschaving van een stad
wordt afgemeten aan de manier
waarop er met zwerfvuil wordt omgegaan

en daarom eerwaarde burgers
tonen wij ons beste beentje
en zetten wij die voor

Meerkoet, beetje vreemd

Miezerige aprildag, doordeweeks, liep ik langs dit steigertje. Deze meerkoet heeft wat takjes verzameld. Of-ie wel helemaal goed snik is, dat vraag ik mij af: dat witte vlekje naast het beest, dat is een ei!
Hij heeft niet alleen een schamel aantal takjes neergelegd op een nogal onbestemde plek, hij gaat notabene ook nog naast zijn eigen ei zitten!

Intouchables

Geweldig genoten, vanavond van Intouchables. Het is een grote hit geworden. Hoort, zegt het voort, en iedereen gaat deze film zien. Kan dan alleen maar tegenvallen, maar dat doet-ie dus niet. Alles klopt namelijk gewoon aan deze film. Genoeg venijn, genoeg pit, genoeg vaart, genoeg hardheid en zachtheid. En ook genoeg open laten, genoeg lucht in de film, genoeg interpretatieruimte.
OK, misschien iétsje teveel ‘feel good’ voor de diehard cynicus. Maar goed, dat ben ik dan ook niet. En één van de mooiste ‘eerste scenes’ ooit: een achtervolging door Parijs, alsof je een totaal ander soort film gaat zien, dan je verwachtte. Die eerste scene zet de toon geweldig.

“Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal.” Ik heb ook een interview gelezen met de maker van het verhaal: de écht van kin tot teen gehandicapte. Hij heeft het verhaal vast en zeker iétsje sterker aangezet en de scriptmakers hebben het vast en zeker nóg een beetje filmischer gemaakt, maar het is een heerlijk verhaal. En als je de mentale kracht hebt, dan spreekt het éigenlijk vanzelf, dat je dít met je leven wilt doen, als de énige macht die je nog hebt over je omgeving en over jezelf de macht van het geld is: de hele liederlijke bende eruit flikkeren en zorgen dat er een frisse wind doorheen komt.

Driss (het verhaal speelt in Parijs) solliciteert alleen maar om z’n recht op ‘n uitkering te kunnen behouden, als hulp voor de stinkend rijke, door een ongeluk van kin tot teen verlamde Philippe. De eerste scenes zijn ook een beetje slapstick-achtig, wanneer hij alle vieze klusjes met een gehandicapt lichaam niet wil doen (‘ik ga zijn kont niet legen!’). Is dat eenmaal voorbij, dan kunnen ze de relatie gaan opbouwen. En dan zijn álle scenes leuk en origineel. Nog wat realiteit en drama er doorheen, wanneer wordt ingezoomd op het oude leven van Driss. Ook dat keert ten goede, op het einde.
Dat einde brouwt er zelfs nog een romance aan. Een eenvoudig eindtafereel, maar wel eentje met schoonheid. Philippe, de lamme rijke, die vooral door die glimlach-met-de-ogen sprekend op Dustin Hoffman lijkt, komt het kleine geluk van harte toe. En Driss wandelt weg op het strand, voldaan, zoals Lucky Luke dat altijd deed in de laatste tekening. Ja, deze almost-Dustin Hoffman is echt de typecast: wie kan er beter statisch glimlachen dan hij.
Topscore op IMDB: hij staat met een 8.4 op nummer 128 op de all-time lijst!

Hotel Asgard

Van vrijdag op zaterdag brachten we de nacht door in Hotel Asgard aan de Ganzevoortsingel in Groningen. Aangezien we daaraan voorafgaand ook heerlijk gingen eten bij Bij Jansen voelde het als een mini-vakantie in eigen stad. Beide heerlijkheden waren nog een cadeau van de respectievelijke eigenaren van deze ondernemingen. Je zult maar zoveel mazzel hebben! Wij namen het er van.

Hoe je lekker kunt eten bij Bij Jansen, dat wisten we wel, maar in Hotel Asgard waren we nog nooit geweest. (In welk hotel wél in je eigen stad?!) We konden pas vanaf dit voorjaar het presentje in ontvangst nemen, want het was ook de bedoeling, dat we het penthouse konden verkrijgen voor deze nacht, en dat penthouse was nog niet helemaal klaar. Nu dus wel.
We stegen op naar de 3e verdieping, staken de sleutelkaart in de deur en daar ging de bruidssuite voor ons open: een grote design-ingerichte kamer, voorzien van alle (voor mij: denkbare) luxe, met een grote glazen wand uitkijkend over het centrum van Groningen. Vlak voor onze neus één van Neerlands mooiste kerken: de Der AA-kerk.
In het midden van de kamer: een groot bad! Jawel, heb ik thuis ook, en daar zit ik nooit in. Tja, dus nu wel verplicht ook het bad in. Ik heb het ruim 10 minuten uitgehouden. Maar goed, dat zijn dan ook even erg weergaloze minuten: dat even te ervaren, met de zapper in de hand. Je moet ‘t tóch een keer meemaken, ook al hoeft het daarna inderdaad echt nooit meer! ;-)

Deze kamer kost normaliter zo’n €200 per nacht en we weten van de eigenaar (ons tennismaatje), dat er érg veel animo voor is. Hij hoeft niet of nauwelijks te adverteren. Kennelijk is er in Groningen veel meer vraag om dit soort overnachtingsmogelijkheden dan aanbod.
Dat je waar voor je geld krijgt, dat is evident. We zaten ‘s morgens aan een gewéldig fijn ontbijt, met kaas van Groninger kaasboerderijen en vleeswaren van Schotse Hooglanders, die hier in de provincie de natuurgebieden hebben begraasd.

Paris, s’eveille

Dit nummer was op de radio, toen we in de auto naar Duitsland reden, op radio Drenthe notabene, afgelopen zaterdag. Ik denk dat iedereen dit liedje wel kent. Het staat ook in de Radio 2 Top 2000 in elke editie van de afgelopen 10 jaar. Het is vooral zo’n liedje dat waar dan ook elk jaar een keer voorbij komt en dat blijft hangen, omdat er geen liedje op de wereld hierop lijkt. Dat stijve staccato zingen van Jacques Dutronc, het lijkt op niemand. En de combi met de fladderende dwarsfluit toont totaal tijdloos én hyper-ouderwets tegelijk. Het liedje stamt uit 1968 en is her en der ook wel een hit geweest.
Ik moest direct denken aan veel andere dwarsfluit-popsongs uit die jaren: de dwarsfluit kwam in die jaren vaker voor in popsongs. Denk aan Barry Hay in Back Home:

Of Thijs van Leer in Hocus Pocus:

De grote favoriet van mijzelf op dit terrein: Locomotive Breath. Wat vond ik dát altijd een prachtige song. Ik vroeg ‘m vaak aan in disco De Wyb in Midsland (Terschelling) bij mijn vakanties daar in 1980 en 1981.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.