Met alle respect
4 februari 2012 Een reactie plaatsen
Loge zaal, rij 4, stoel 30. Van te voren heb je geen notie waar dat is. Het was de allerachterste rij beneden, recht voor het podium. Echt een prima plek. Beetje op afstand, maar de Stadschouwburg is zo groot niet. Zaal natuurlijk helemaal vol.
Maassen heeft niks nodig, staat daar in z’n T-shirtje en gaat direct zijn band met het publiek aan vanuit (letterlijk) het motto ‘ik heb er zin in’. Er is ook niks ‘vormgegeven’ aan zijn show. Hij gaat gewoon vertellen en de ene geweldige grap rolt over de andere. Zoals dat altijd gaat, wordt om de eenvoudigste (en dus vaak de flauwste) het hardste gelachen: die denk-seconde ontbreekt. Da’s juist weer mooi om te zien, dat soms een grap helemaal geen grap lijkt en dat je dan de zal heel langzaam ziet reageren, waarna er een halve slappe lach uitbreekt. Maassen houdt dan een tijdje stil in de hele zaal begint wéér te lachen nadat één persoon in slappe lach blijft hangen. Kijkt-ie heel voldaan glimlachend de zaal in.
Regelmatig doet-ie net alsof-ie nét even vergeten is, wat-ie ook alweer wilde zeggen. Kan-ie niet op een naam komen of zo. Mooie truc om de schijn van totale spontaanheid op te houden. Maar het werkt wel.
Een geweldige gimmick was de ‘pauze’. Hij zei plots: ‘ja jongens, het is pauze’ en draaide zich om en ging op zijn stoeltje zitten. Vóórdat hij zat kijk hij achterom en zei (ziende dat er mensen waren opgestaan) “heehee, voor míj hoor, niet voor jullie!”. En toen hij eenmaal zat verwijtend: “Dit heb ik echt nog nooit meegemaakt!”. Ik stonk er zelf ook in, maar zat gelukkig niet op één van de eerste rijen. Ene Simon wel en deze Simon werd regelmatig even aangepakt.
De goocheltruc was ook vintage Maassen: Simon mocht een kaart uit een stapeltje trekken en onthoudend welke kaart het was. Maassen vroeg: “Was het harten tien?”, waarop Simon ‘nee’ zei. Daarna haalde Maassen een briefje uit zijn broekzak, waar met grote letters “NEE” op stond.
Maassen gebruikte zijn collega-cabaretiers bij het stukje over het veelvuldig voorkomend van sexueel misbruik onder de cabaretiers. Dat was lekker grof, maar onschuldig grof. En gierde heerlijk uit de bocht bij het opsommen van iedereen die het land wel mocht verlaten van hem. Uiteindelijk bleef zo’n beetje hij alleen als verlicht despoot over. Toch is er ook het nodige moraal in zijn voorstelling: het is niet zo moeilijk hem te plaatsen op het spectrum van maatschappelijke positionering en te weten, dat hij aardig cynisch is over de ontwikkelingen van de laatste tijd. Jawel, hij is 45 en dat speelt mee: over the hill en terugkijkend op een era en een eigen leven, dat éigenlijk meer voorstelde dan het huidige en de verwachte toekomst. En dat-ie nu ook al een conventioneel gezinsleventje leidt, dat is natuurlijk de totale nederlaag. Vriendin, schoonouders en zelfs z’n eigen dochtertje: ze maken het allemaal nog erger. Maar dat dan weer verpakt is geweldige, soms platte, soms subtiele grappen. (“Ja, één ding deel ik met mijn schoonvader: we geilen beide op zijn dochter!”)
En uiteindelijk wel de cliché-plot: god, wat is het leven, ondanks alles, toch een feestje!

