Van Amsterdam naar Groningen op de fiets (dag 3)

Tijdens de tweede dag kwamen we bij de oversteek van de Tjonger aan een picknickbank in het gras aan de praat met een bejaard echtpaar, dat gezellig zat te kijken naar de heen-en-weer over het riviertje. We aten een mueslireep en bekeken de kaart voor de juiste route. We kletsen een beetje. Ze vroegen waar we dan ongeveer wilden overnachten. Ik zei: ergens in de buurt van Oldeberkoop. “Hee, da’s toevallig, daar wonen wij!” zei ze. “OK, jullie logeerkamer dus!” zei ik voor de grap.
Toen we wegfietsten, toch ook nog deels ‘voor de grap’: “Morgen om half tien is de koffie klaar!”.

We hebben het adres onthouden, reden om kwart over negen weg van ons adresje ten noorden van Noordwolde en reden om kwart voor tien Oldeberkoop in. Ze zagen ons al rijden vanaf de keukentafel. Breed lachend lieten ze ons binnen, en even later zaten we aan de koffie, met gebak. Alleraardigst boerenechtpaar van al een eind in de tachtig. Half uurtje gekletst en daarna gingen we weer verder. (VVV-bord bij Oldeberkoop)
Iets ten noorden van Oldeberkoop weer een stuk langs de Tjonger, langs Hoornsterzwaag richting Moskou en Petersburg. En daar ligt ook Klein-Groningen. Allemaal kleine buurtschappen. Mooi land, dat al wat van de Friese Wouden weg heeft.

Het was lang niet meer zo warm als de voorgaande twee dagen. En we hadden de wind nu ook wel flink tegen, letterlijk dan. Verder wel heerlijk fietsweer. Langs Wijnjewoude het bos van Bakkeveen in, waar we nog een cappucino en een broodje namen.
Daarna is de stal al gauw te ruiken: we rijden Groningen in ten zuiden van Zevenhuizen, rijden door het lelijke hart van Leek, langs Nienoord het Noord-Drentse natuurlandschap onder het Leekstermeer. Bekend terrein voor ons. Aan de horizon de Apenrots van de Gasunie en ook d’Olle Grieze. Om half drie zijn we weer thuis!!

Van Amsterdam naar Groningen op de fiets (dag 2)

‘s Morgens uitstekend ontbijt bij het seniorenechtpaar, dat deelneemt aan het sympathieke Vrienden op de fiets-netwerk, en daarna gauw naar de veerboot van Enkhuizen naar Stavoren. Op de boot allemaal fietstoeristen, meest dagjesmensen van zekere leeftijd. De boot vaart er 5 kwartier over en (zou je als je niet beter weet misschien niet denken) vaart het hele traject noordwaarts (en niet oostwaarts). Grote slierten aalscholvers scheren over het water in mooie golfpatronen. Aardig briesje op het water. Altijd veel bootjes in het zicht en altijd ver in de verte wel een Friese en een Noord-Hollandse kust te ontwaren.

Aangekomen in Stavoren even de knooppuntenkaartjes gehaald bij de VVV. Een geweldig systeem, dat knooppuntensysteem van de ANWB. Overal in het land die mooie borden met kaarten en overal de kleine ronde richtinggevende bordjes. Je kunt zo ontzettend gemakkelijk je eigen route bepalen en weten, dat je niet zomaar langs de provinciale wegen aan het trappen bent.
We reden het stadje door; twee zijden met huizen langs een groene gracht. Niet zoveel heel bijzonders te ontwaren in deze oudste stad van Friesland. Verderop het fietspad langs de dijk naar Gaasterland. Daar stonden de politiemensen met hun gekleurde hesjes al: de Elfstedentocht op de fiets en op de motor, jawel: vandaag! We krijgen enige duizenden tegenliggers!
Het begon al snel met de motoren. We zijn maar achter elkaar gaan fietsen en een kilometer of vier verder, bij Laaksum, bleken ze van linksaf te komen en konden wij verder langs de dijk. Fietsen we even lager de Rode Klif op: een ‘klif’ van zo’n 10 meter boven NAP! Er zijn meer dan deze kliffen langs de zuidelijke Friese kust: soort van oude stuwwallen. De Rode Klif (Reaklif) is extra bijzonder omdat-ie een betekenis heeft bij de viering van de Friese vrijheidsstrijd. Vanaf de klif heb je prachtig uitzicht over IJsselmeer en wijds grasland.

Iets ten oosten van Laaksum (dijkhuisje met heel veel klaprozen en margrietjes)heeft iemand een eigen landgoed aangelegd: een soort van modern kasteeltje met een toren met een authentiek zadeldakje. Hij heeft er ook een eigen meer bij gegraven. Ik herkende het landgoed al van kilometers afstand: had er een keer een groot artikel over gelezen in de krant. (Kan gek genoeg niks vinden via Google.)
Bij Oudemirdum het Rijsterbos in. Prachtig dicht bos. Het is stil hier; bijna geen fietsers. Maar komen we aan de andere kant het bos uit, zijn daar ineens al die motoren van de Elfstedentocht weer. Het is daar sowieso een drukte van belang: veel uitspanningen, restaurants, etc. Vast en zeker de natuur-vrije tijdslocatie van Zuid-West Friesland.
We vervolgden de weg door Nijemirdum, Sondel, Wijckel (boerderij met bijzondere klokgevel) naar het mooie oude Friese Elfstedenstadje Sloten. Geleidelijk steeg ook het aandeel Elfstedentochtfietsers. Die waren ‘s morgens vroeg al vertrokken en gingen ‘over de noord’, hadden hier dus al zo’n 160 kilometer Elfstedentocht gehad. Opvallend veel sportieve 60-plussers op de racefietsen en zo af en toe ook ‘gewone mensen’  op een toerfiets!

In Sloten is het hartstikke druk op het kruispuntje midden in het stadje. Bij golven komen grote groepen fietsers langs die allemaal enorm toegejuicht worden. We  eten een ijsje en wandelen even van poort (brug) naar poort.
Na Sloten hebben we nog een stuk of tien kilometers tegendraadse fietskolonnes voor ons. Wij blijven maar op de autoweg en rijden voorzichtig achter elkaar. Op het fietspad scheuren de racefietsers voorbij.

Geleidelijk rijden we de rust in, aan de westkant van het Tjeukemeer. Stille landerijen, polderwegen. We gaan over de snelweg heen, die daar net van de hoge brug over het meer heen komt: rijd je honderden keren onder het viaduct door, dat je nu voor ‘t eerst van je leven zelf over fietst. Leuk!
In Oosterzee naar de oever van het Tjeukemeer, waar een prachtig fietspad de oever volgt: het Lodo van Hamelpad. Het Tjeukemeer is nooit druk met bootjes; dat valt vanaf de snelweg ook altijd zo op. Wel strandjes met zwemmers en zonaanbidders.
En even verderop een oud gemaal met klein museum en expositie van prachtige litho’s van Jan Mensinga. (Kom ik nog op terug.)

We steken de Tjonger over middels een pontje, dat je zelf met een lier aan moet trekken. Daar zijn vandaag 5 puberjongens mee zoet; ze verdienen, vanaf de pont het water in springend, er een grijpstuiver mee. Door het Brandemeer-natuurgebied steken we door naar de Lendevallei (je mag ook Linde zeggen) en die vervolgen we een hele tijd, tot aan De Hoeve, dat al vlakbij Noordwolde ligt. En dan ben je al een eind weegs in de Stellingwerven.
De Lendevallei hebben we tot verrassing de wind eigenlijk gewoon mee. Dat fietst heerlijk. Veel riet, veel vlak natuurgebied met bosjes, met schapen (je ratelt over de metalen buizen-bruggetjes, waar de schapen niet overheen kunnen). Inmiddels wel steeds vaker even op de trappers staan om het achterwerk te ontzien.

Bij Noordwolde komen we aan bij een geweldig mooie Vrienden op de fiets-locatie: een apart gastenverblijf bij een luxe landhuis, van hout opgebouwd. De naam van de eigenaar doet een bel rinkelen en na enig Googelen vinden we uit, dat deze man vroeger wethouder in Groningen was. Da’s toevallig!
‘s Avonds maken we nog een wandeling door het bos achter ons verblijf en springt het reetje, na ons even verschrikt te hebben aangekeken, een meter of tien voor ons de bossages in.

Gesprek in de trein

Twee mannen naast mij:
“Volgens mij gaat het gesprek vandaag over 3 dingen. Vertrouwen, transparantie en een doel.”
“Nou, voor mij gaat het vooral om perspectief.”
“Ja, dat zeg ik ook. Zonder doel is er geen perspectief.”
“Ze zullen ons een perspectief moeten geven.”
“Maar dan doe je alsof ze je expres dit aandoen. En dat voel ik dus niet zo. Volgens mij IS het gewoon zo.”
“We moeten vooral heel rustig blijven en weloverwogen.”
“De directie zal hiernaar moeten luisteren.”
“Ik ga me inhouden.”

“Ik moet nog 22 jaar.”
“Hmmm, ik nog 11. Maar dat klinkt toch niet: je mag nog 22 jaar, toch?”
“Ik heb echt het idee dat ik jaren heb vergooid.”
“Ja, dat is wel erg.”
“Het werk heeft gewoon niet het juiste resultaat opgeleverd.”

Daarna een dosis Engelse kreten. Waar gaat het over?
Ik krijg visioenen van een internationaal bedrijf: ze zijn naar Schiphol onderweg om met de buitenlandse grote bazen van hun firma te spreken. En het ziet er niet best uit.

Van Amsterdam naar Groningen op de fiets (dag 1)

In drie dagen van Amsterdam naar huis. Met de fiets. Daaraan begonnen we op zondagmorgen, eerste Pinksterdag. Prachtig weer. Een mini-vakantie van drie dagen. Ongeveer 200 kilometer zou het zijn, leek ons. De route: dag 1 langs de IJsselmeerkust tot aan Enkhuizen; dag 2 met de boot naar Stavoren en dan Friesland door tot een slaapplek; dag 3 verder en naar huis.

Aldus: eerst een heel stuk door de stad, vanaf Westerpark tot aan de Schellingwouderbrug, aan het oosten van de stad. Direct over de brug ben je “weg”: daar is het direct boerenland met natuurreservaten. Langs de dijk ben je zomaar in Durgerdam. Een lint oude houten huizen langs de voormalige Zuiderzeedijk. Aan de andere kant ligt de nieuwe IJmeer-wijk; aan de dijk in de haven allemaal witte mastjes van zeilboten. Ongelooflijk veel huizen te koop! Naast prachtige opgeknapte historische huizen ook veel nogal verfomfaaide exemplaren er tussen. Achter de huizen direct de laaggelegen polder met weiland tot de einder. Wat ben je direct ‘ver weg’, hemelsbreed maar enige kilometers van hartje Amsterdam!

Fiets je verder, dan wordt dat alras nog extremer. Binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam zijn er al grote boerderijen. Het dorp ‘Ransdorp’ ligt ook nog in het Amsterdamse buitengebied. Tot 1921 was dit een zelfstandige gemeente; er staat ook nog een oud raadhuis. En er staat een enorme joekel van een oude kerk in het dorp. Rembrandt heeft deze kerk nog getekend; ook toen had-ie al géén torenspits.
Na Ransdorp rijden we Waterland in. Weiland, weiland. Een jonge koe dondert in de sloot voor onze neus. Ah, gauw de boer even waarschuwen, dacht ik nog, maar hij klautert aan onze kant de wal weer op. Toch maar naar de boer fietsen! Maar hij springt gewoon de sloot weer in en kruipt er tot luid geloei van zijn maatjes aan de goeie kant direct weer uit!

Slingerend door het weiland komen we aan bij de dijk bij Monnickendam. We drinken een paar capuccino’s op het terras bij de haven, onder de luifel van het Waaggebouw. Prachtig oud plaatsje met 74 Rijksmonumenten.
Voorbij Monnickendam bij Katwoude een flinke stuk langs de dijk tot we in Volendam aankomen. Op 1e Pinksterdag is het daar natuurlijk véél te druk. Een braderie ook nog. Afstappen van de fiets, bij de haven, want anders gebeuren er ongelukken. Direct achter de dijk zijn kleine grachtjes met heel veel bruggetjes. Ziet er wel pittoresk uit, maar er zijn opvallend weinig echt monumentaal oude huizen te bekennen.
Verder langs de dijk richting Edam. Gek genoeg had ik van Edam veel minder verwacht: wat een verrassend prachtig oud stadje is dit! Midden in het stadje een hoge gewelfde overkapping over de gracht, die zo een brugpleintje wordt. Een mooi stadhuisje, veel prachtige geveltjes en een heel mooi oud torentje. Ik draai gauw nog wat fietsrondjes door het oude stadje heen en bedenk: hier wil ik gauw eens een nachtje heen!

Daarna zoeken we de dijk weer op en fietsen noordwaarts. We picknicken op de dijk. Honderden zeilen op het water. Een geweldige dag: prima windje voor de zeilers, graad of 25 en strakblauwe lucht! Wat een weelde.
In Oosthuizen splitsen we. Onze Amsterdamse vrienden gaan via De Rijp weer terug naar de stad en wij gaan verder naar Hoorn.

In Hoorn een uur op het plein “De Rode Steen” uitgerust. Vroeger moet er hier een geweldig mooi stadhuis gestaan hebben. Dat is helaas verdwenen, maar het West-Fries Museum zit in een heel bijzonder huis en er is ook een heel mooi waaggebouw. En verder in de stad wemelt het van de overblijfselen van de grote tijd van de oude stad Hoorn. In het West-Fries Museum is een expositie gewaagd aan J.P. Coen, van wie een joekel van een beeld op Het Rode Steen staat. Coen was natuurlijk een heen naar mannetje en daar gaat de expositie feitelijk ook over: is-ie een held of is-ie een naarling. Ik heb de expositie niet gezien, maar vrees dat hem toch teveel heldendom zal worden nagegeven.

We dachten in Hoorn te blijven, maar konden geen goed adresje vinden. Dus toch maar even de tegenwind op de provinciale weg naar Enkhuizen opgezocht. In Enkhuizen troffen we wel snel een prima thuis-adresje uit het boekje van Vrienden op de Fiets.
Met de fiets het stadje even van alle kanten bekeken. De Drommedaris natuurlijk. En de Zuiderkerk met een geweldig fraaie toren. En een stadhuisje, dat een een soort van grote Madurodam-versie is het Paleis op de Dam.
Zowel Hoorn als Enkhuizen hebben een gróte historische binnenstad, vind ik. ‘k Had ze beide al eens eerder gezien, maar bemerk dat ik oud begin te worden: het was al té lang geleden om er nog echt goeie herinneringen aan te hebben.

Redelijk vroeg in bed, flink rozig en nagenietend van heerlijke fietsdag en ‘s avonds nog witbiertjes en een geweldig goeie pizza! En in het vooruitzicht van een volgende dag met nét zoveel zon en een net zo perspectiefvolle fietsomgeving: Zuid-Friesland! (zie vervolg)

Binnendieze en meer

Vorig weekend was het ook al mooi weer! Komend weekend brengt hetzelfde. Dan ook erop uit. Daarover later meer. Vóór vorig weekend bracht de enigszins anachronistische conventie van Hemelvaartsdag en aansluitende vrijdag de mogelijkheid om weer eens wat te ontdekken. We waren al onderweg naar het zuiden om ‘zaken te doen’ (een tafel en stoelen, gekocht via Marktplaats, op te halen uit een dorpje bij Venlo), toen we nog moesten bedenken, waar onze minivakantie ons naartoe zou gaan leiden.
Den Bosch!
Was ik nog maar een maandje geleden voor mijn werk enige uren. Toen ook even de route station-stadskantoor gelopen, door de binnenstad, en bedacht: hé, hier maar eens naartoe!
Goed idee dus.
Vanuit de auto een B&B gearrangeerd en aan het einde van de morgen had ik al een paar nieuwe schoenen op de Hinthamerweg (zeg maar: de Herestraat van ‘s-Hertogenbosch. (Het is dus niet Den Bosch, maar ‘s-Hertogenbosch, hoezeer ook geldt, dat Den Bosch eerder een oúdere dan een nieuwere naam is!)

Het was hartstikke druk in ‘s-Hertogenbosch: bloemenmarkt op het centrale plein, de Markt. Wel gezellige drukte. In het oudste bakstenen gebouw van Nederland, genaamd ‘De Moriaan‘, ook aan de Markt, is de VVV gehuisvest en daar heb ik gauw een kaartje met stadswandeling opgesnord.
Daarna gauw de kleine straatjes opgezocht en rondgebanjerd, vriendin de korte uitlegtekstjes uit de folder voorlezend. Zo leer je geleidelijk zo’n stadje beetje kennen. Alvast kaartjes gekocht voor het vaartochtje over de Binnendieze, de volgende morgen.

Heerlijke met avocado en pesto belegde broodjes gegeten bij Café Voltaire (aanrader: je bent er eigenlijk in een soort van huiskamer!) , her en der op de Binnendieze gestuit, die meest áchter en niet voor de middeleeuwse woningen langs stroomt en uiteindelijk ook de majestueuze Sint Jan goed bekeken, ook binnen. Het Parade-plein lag te bloeien: vol van kastanjebloemen. We hebben ook het engeltje met mobieltje gevonden! Veel beeldjes in de rijkgeornamenteerde Sint Jan zijn vernieuwd – er was veel zandsteen half vergaan door weer en wind – en de maker van de beeldjes heeft als grapje één engeltje voorzien van een mobieltje in de hand.
‘s Avonds lekker gegeten bij Van Puffelen in het Uilenburgkwartier.

Onze B&B (‘De Erker‘) was in de buurt van het stadion. Willy en Willy (een echtpaar) boden een hartelijke ontvangst; ‘s morgens een uitgebreid ontbijt en gaf ons fietsen mee om de stad weer in te gaan. Om tien uur ‘s morgens hadden we een privé-boot voor ons tweeën om de historische tocht over de Binnendieze te varen. (Toen we om kwart over elf terugkwamen stonden er rijen wachtenden!)
Deze tochten worden door meest seniore vrijwilligers uitgevoerd op mooie en luxe elektrische fluisterbootjes. De geschiedenis van het herstel van Den Bosch is ongehoord: nog maar dertig jaar geleden lag dit meest onder de huizen door laverende grachtenstelsel er totaal verwaarloosd bij, alsmede de huizen erboven. Marga Klompé was begin jaren zeventig de minister die Den Bosch aanwees als bijzondere cultuur-historische wederopbouw-plaats. Toen is men 30 jaar zoet geweest, tot 1998, om alles weer prachtig uit de mottenballen te halen. De verwaarloosde panden zijn veelal weer geweldig mooie stadswoonsteden geworden, voor ruim in de centen zittende stadsjuppen. Her en der zijn ook gedichten op hoge oude gevels geschilderd.

Ook heel bijzonder is de zuidelijke stadswal van Den Bosch: nergens in Nederland meer te zien: een oude stadswal die grenst aan een onbebouwde oude polder. Daar vaar vanuit de oude spelonken van de stad onder de wal door en kijk je over de oude landerijen heen. Gewéldig!
Verderop weer de stad in, onder de huizen door, onder de straten door: allemaal middeleeuwse boogjes, waar ineens weer mooie hoge stadshuizen opdoemen.

Een weekend Den Bosch kan nog een stuk meer bieden, als je ook nog wat tijd neemt om de Jeroen Bosch-expo’s te zien, om ook de vestingroute te bevaren over de Binnendiezen en om bijvoorbeeld de grote moderne kasteel-woonwijkjes bij Engelen, vlak boven Den Bosch te gaan bekijken. Die laatste had ik 10 jaar geleden al eens gezien, maar de andere dingen die moeten (onder meer) een andere keer. Den Bosch is ook een heel sfeervol stadje. Hoewel het een universiteit ontbeert, komt het mij voor dat het ook een heel gezellige stad voor jongeren is.

Hier nog een klein juweeltje van Vasalis, ergens op een muur.

Gili Trawangan

In Padangbai was ik ook al in 2007 geweest; daarvandaan varen de ferry’s tussen Bali en Lombok. De grote roestbakken zag ik weer liggen in de haven. Wij waren nu in Padangbai om de speedboat naar Gili Trawangan te nemen. Als je met de gewone boot naar de Gili’s wilt, dan mag je eerst met de ferry naar Lombok, daar een heel stuk met een bus en dan nog met een andere boot naar de Gili’s. Dat zou zo’n 8 uren in beslag nemen. De speedboat doet ‘t in ruim één uur. Je kunt zien, dat-ie daar wat power bij gebruikt: 5 joekels van Suziki’s!!

De Gili’s zijn drie eilandjes voor de noordwestelijke kust van Lombok. Daar zijn we weer moslim en hoor je het alluah akbar weer. De Gili’s zijn drie paradijseilandjes: mooi strand, mooie turquoise wateren er omheen, snorkelende mensen én…. geen gemotoriseerd verkeer! Alles gebeurt met paard en wagen. Ook geen brommertjes.

Gili Trawangan is het meest toeristische eilandje van de drie. Het is min of meer rond en heeft een doorsnede van ongeveer een kilometer. Het dorpje is gezellig druk. Waar 20 jaar geleden nog bij uitstek sprake was van een backpackerstoeristenpopulatie zijn er nu ook veel duurdere resorts en zie je ook mensen met rolkoffers de speedboats verlaten. Die speedboats zijn er ook nog maar kort. Is e.e.a. daardoor verpest? Ja, vermoedelijk voor een aardig deel wel, al is het maar hoe je het bekijkt. Het is er nog steeds gemoedelijk, maar de backpacker van 20 jaar geleden zal zich vast en zeker rot schrikken en vinden dat er van de atmosfeer van vroeger niet zoveel over is. (Hetzelfde geldt trouwens voor veel op Bali: Ubud was toen ook nog maar één straat; nu kun je over de hoofden lopen en is er alleen maar herrie van auto’s en brommers.)

We waren met z’n vieren 2 dagen en nachten op Gili Trawangan. Als enige van de drie heeft dit eiland ook een beetje een heuvel; de andere zijn volledig plat. Over de eilandjes heen kijk je op de Rindjani-vulkaan op Lombok uit. Daar ontwikkelden zich dikke wolken. Op beide dagen hadden we uitzicht op een heel zware lucht boven Lombok, terwijl wij in de zon op het strand waren, potjes klaverjassen op een terrasje op het strand. De tweede dag kwam de bui onze kant op en waren we net op tijd binnen om een heerlijke enorme moessoenbui vanonder onze veranda te kunnen aanschouwen.

We aten lekker in cosy kleine halfoverdekte restaurantjes en hebben op de tweede dag de wandeling rondom het eiland gemaakt. Het waren een paar rustige en fijne dagen op Gili Trawangan, maar als je de Lonely Planet erop naleest, dan zou het zo moeten zijn, dat je maar moeilijk weer van die eilandjes vandaan kunt komen. Dat geldt misschien als je je in het nachtelijke partyleven gaat begeven. Dus daarover kan ik niet oordelen. Ik had ‘t na een paar dagen wel gezien op Gili Trawangan.

 
De wandeling rondom het eiland was het mooiste. We wandelden daar trouwens wel langs enige grote en luxe resorts in aanbouw. Potverdorie: het kan best zijn, dat het over een paar jaar uit is gegroeid tot een standaard vakantieparadijs. En als de Australiërs die nu Kuta op Bali verpesten het gaan ontdekken, berg je dan maar.

Gunung Agung

Vanaf de boot terug van Gili Trawangan maakte ik een paar prachtige foto’s van de kust en de bergen op Bali. De vulkaan Agung, 3200 meter hoog, ligt daar majestueus een beetje mysterieus te zijn in de wolken. En de kleurschakeringen van de verschillende achter elkaar liggende heuvels was ook machtig mooi bij het late middaglicht.

Beringin

Deze boom vonden we in 2006. We fietsten toen, mijn vriendin en ik, rondom Ubud en troffen ‘m ergens langs de weg. Je ziet wel vaker die gigantische berringin-bomen, met hun loodrecht naar beneden hangende takken die op het moment dat je de bodem raken ook wortel schieten en daarna van één boom een samenstel van bomen maken. Om om deze boom heen te lopen, was in 2006 wel zo’n vijftig stappen. Een geweldig massief geheel, ook juist op de foto’s van afstand.

We maakten twee weken geleden deze fietstocht nog eens. Nu dus met mijn dochter en haar reisvriend (ik zocht hen op tijdens hun backpacktocht door Zuidoost-Azië). Trof de boom erg gehavend aan. Aan de zijde van het kleine tempeltje was minstens eenderde van de boom verdwenen. En aan het tempeltje te zien, was daar geen menselijk beleid bij te pas gekomen: helemaal aan diggelen.

Aan wat mannetjes gevraagd, wat er aan de hand was. Ze vertelden mij, dat het juist 2 weken geleden zo geweldig veel geregend had, dat de takken met bladeren topzwaar waren geworden en dat er héél veel naar beneden was gekomen. Jammer zeg. Pál voordat ik de boom weer eens kwam bekijken!
Hij blijft nog steeds indrukwekkend en zal ook vast wel weer herstellen. Hij gaat immers ook al wel 500 jaar mee of zo. De Balinezen met wie ik sprak vertelden me ook, dat er veel andere beringgin-bomen een stuk kleiner zijn, maar veel ouder. Zoals ook die twee op 200 meter afstand van deze op het plein van een tempelcomplexje. Die worden namelijk goed onderhouden en deze, min of meer vrijstaande op een weilandje, wordt dat veel minder. Dat was ook de reden, dat-ie zo topzwaar was geworden. (Op de foto’s zie je steeds eerst 2006 en daarna 2012.)

Mount Batur

Op Bali hebben we ook een vulkaan beklommen. Niet de hoge kegelvulkaan Agung, die meer dan 3200 meter hoog is. Dan moet je nóg een stuk vroeger op om de zonsopkomst boven te aanschouwen. Wel de Batur, die een kilometer of 30 westelijk van Agung ligt. Op de top ben je op 1750 meter hoogte. Deze top ligt aan de westkant van een meer op 1000 meter hoogte. Origineel een kratermeer natuurlijk. Aan de andere kant van het meer is de top 2100 meter hoog. Er zijn op Bali nog meer pieken van boven de 2000 meter.

Om de Batur te beklimmen gingen we met een gids om 4 uur ‘s morgens omhoog. Eerst een heel eind door het bos en toen het laatste stuk door struikgewas en knap steil omhoog klimmend. Geleidelijk werd het lichter en opende zich het gehele landschap; de vergezichten op de andere vulkanen. Op de foto zie je Agung als een ‘schaduw’ achter de vulkaan aan de andere kant van het meer.
Op de top aangekomen voelt het alsof je op een speldeprik-top staan: aan alle kanten om je heen gapende diepten. Het is het hoogtepunt van een kraterrand, die zo goed als helemaal rond loopt, weliswaar op verschillende hoogten. Het is echt magisch om daar te staan, bij zonsopkomst en heel Bali om je heen te zien. In de verte zie je ook de Rindjani-vulkaan op Lombok, die wel 3700 meter hoog is.

We kregen boven ontbijt bestaande uit gebakken banaan en gekookte eieren. Deze zijn verhit door ze te leggen in een rotsspleet, waar hete gassen uit komen. En een dikke bak koffie erbij.
Op die top zo’n drie kwartier geweest, genietend van uitzicht en van het ontbijt. Daarna een langere tocht de andere kant langs naar beneden. Dat was een spectaculair stuk wandelen over de kraterranden. Vaak een stukje van 40 centimeter breed en aan weerszijden gruwelijke dieptes. Niet bepaald een plaats om even rustig om je heen te kijken of een klein misstapje te maken. Vraagt wel enige concentratie en het indammend van verkeerde gedachten.
Om een uur of negen waren we beneden en om tien uur achter in de laadbak van een bemo-truckje onderweg naar Ubud.

Op de markt in Ubud

Een echte fotograaf ben ik niet. Te weinig geduld en te weinig aandacht voor techniek en zo. Maar ik vind ‘t wel leuk om op zoek te zijn naar een mooie foto. Deze maakte ik op donderdag 3 mei op de markt van Ubud, op Bali.
De markt op de begane grond, deels binnen deels buiten, is vol en redelijk druk. Maar het lijkt niet echt goed te gaan met de markt. Er zijn ook marktgedeeltes op 1e en zelfs 2e verdieping in open gebouwen. Ik liep daar naar boven; er waren daar ook verloren kraampjes met kleren en andere dingen. Er zaten verveelde dames, die bijna schrokken van mij: een toerist, een toerist!! En dan moet je nog je best doen weer van ze af te komen.

In het trappenhuis maakte ik deze foto. Deze meneer liep heen en weer met deze manden, dus ik kon even rustig afwachten totdat hij op de juiste plek was voor de foto. Dus toch beetje ‘compositie’ en niet uit de losse hand als geluksfoto. Ik vind ‘t m’n mooiste foto van de vakantie van 2 weken op Bali.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.