Ludovico Einaudi

Ludovico Einaudi is een Italiaanse componist/pianist en zijn muziek wordt wel ‘eigentijds klassiek’ genoemd. Snap ik eigenlijk niet zo goed; ik weet nooit zo goed wat ‘klassiek’ dan betekent: de meeste van zijn werkstukken laten zich volgens mij goed lenen om er mooie luisterliedjes van te maken.

Hij was vrijdagavond in de Oosterpoort. En waar we een maand geleden bij het concert van Mark Lanegan als bijna-vijftigers nog van gemiddelde leeftijd waren ten opzichte van de rest van het publiek, waren we hier, bij een ‘eigentijds klassiek’ concert nadrukkelijk ouwe lui. Heel veel studenten in een volle grote zaal van de Oosterpoort, weliswaar met alleen zitplaatsen. We gingen eerst ergens beneden aansluiten in de lange stoeltjesrijen, maar ik zat op het balkon de voorste rijen nog leeg. Dat was een goeie keuze: prachtig plekje om te genieten van Einaudi.
Hij begon met een aantal nummer van zijn laatste CD ‘Nightbook’. Wel de CD waarmee hij voor een groter publiek is doorgebroken, maar hij speelde, terecht, ook heel veel oudere nummers van vorige CD’s. Die zijn ook net zo goed. Ik weet ook niet van ‘hits’: al zijn muziek heeft dezelfde sfeer. Maar daarmee verveelt het niet. Andersom ten opzichte van wat ik al zei: het zouden ook allemaal eigen arrangementen kunnen zijn op melodieën van andere liedjes, van andere componisten. In de eigenheid van zijn melodieën zit feitelijk de kracht niet: het is eerder het eigen arrangemente, gegoten in een heerlijke combinatie van ‘minimal music’, atmosferische trance-achtige herhaling en bijna ‘chanson’-achtige composities.

Het publiek tracteerde hem na elk stuk van meestal tussen de 7 en 12 minuten, op langdurig applaus. Einaudi stond een paar keer stram op van achter zijn piano en boog naar het publiek zoals het de klassieke pianist betaamt.
Potdorie, met zo’n uitverkochte grote zaal en toegangsprijs van  €30 verdient hij deze avond heeft goed met het concert in zijn uppie. Mijn concertmaatje had hem al enige malen eerder gezien, spelend in gezelschap, en vond dan uiteindelijk nog éven wat bijzonderder dan dit solo-concert.

De song ‘Nightbook’ is niet echt een liedje-achtig stuk, maar meer een Philip Glass-achtig ‘minimal’ werkstuk.

Kar Kar

Dat is de bijnaam van Boubacar Traoré. Een legende in Mali en gelukkig geen echte onbekende in Nederland: de kleine zaal in de Oosterpoort was maandagavond goed gevuld. En men ként de liedjes van Boubacar Traoré: toen hij bij de toegift “Mariama” inzette, ging er luid gejuich op. Tja, ook ik vindt dat één van de allermooiste liedjes van hem.
Dit is ook bij uitstek een lied dat hem neerzet: een liefdeslied voor zijn tragisch overleden vrouw.
Ik hoef het tragische levensverhaal van Boubacar hier niet te herhalen. Lees het in het heel kort op zijn Wiki-pagina, maar als je echt iets heel moois en dieps wilt lezen, lees dan Mali Blues (het grote verhaal in de bundel) van Lieve Joris. Dat gaat over Boubacar.

Boubacar is nu 70, maar hij heeft al een leven geleid voor minstens 100 jaar. En, o, o, wat is-ie toch nog jóng! Hij tokkelde op zijn gitaar als een jonge God. De echte Afrikaanse blues, maar dan op zijn lichtst en op zijn meest romantisch.
Hij had een virtuoze mondharmonicaspeler bij zich: Vincent Bucher. Wat een geweldenaar. Hij haalde álles uit vijf verschillend gestemde mondharmonica’s. Vincent stond links van Boubacar. Aan de andere kant stond in een mooie boubou zijn percussionist. Op een hoge tafel, met tape op een kussen vastgesnoerd zag daar zijn kalebas om op te trommelen.
Met z’n drieën speelden ze twee uur met ontzettend veel speelplezier. De dag ervoor was Stuart Staples van Tindersticks een uitblinker in het negeren van zijn publiek; Boubacar hoéfde helemaal niet te converseren met het publiek om intens in contact ermee te zijn. Dat is dan toch meer de Afrikaanse weg.
Het concert van Boubacar en zijn twee muzikale maten, afgelopen maandag, was een heerlijke belevenis.

Tindersticks in De Melkweg

Tindersticks is weer helemaal terug! De nieuwe CD ‘The Something Rain’ is eindelijk weer een heel erg mooie plaat. De voorgaande twee platen vond ik matig (The Hungry Saw en Falling down a Mountain). En zo moet ik terug tot 2003, Waiting for the Moon met ‘My Oblivion’ en ‘Trying to find a home’ om de laatste echt geweldig Tindersticks-songs te horen. Tja, en daarvoor natuurlijk Can our love.. en Curtains, maar dan heb je het al over de vorige eeuw.
Maar nu is er dus ‘The Something Rain’ en deze plaat is echt net zo goed als Curtains! Na drie keer de nieuwe CD te hebben beluisterd heb ik direct mijn maten opgetrommeld en kaarten gekocht voor het concert van gisteren in De Melkweg. Ik zag Tindersticks voor het eerst weer sinds 2004. Héél lang geleden alweer dus.

Ze waren met z’n zessen. Geen violen live deze keer. Wel de saxofonist. De vaste line up bestaat uit drie die-hards, waarvan vooral Start Staples natuurlijk het hart is, hoewel ook David Boulter (keyboards) en Neil Fraser (gitaar) een erg belangrijke rol spelen. Staples is aan de ene kant wel een bijzondere persoonlijkheid met zijn stem uit duizenden, die hooguit bij iemand als Scot Walker referenties treft. Maar anderzijds is het ook een onpersoonlijk figuur. Hij zegt alleen maar kortaf ‘thank you’, zo af en toe na een nummer. De helft van de tijd staat-ie met z’n gezicht naar de gitarist. Vreemd hoor. Publiek lijkt ‘m eigenlijk dus geen donder te interesseren. Dat Beth Gibbons met haar rug naar het publiek stond, ja dat had dan tenminste nog met extreme verlegenheid te maken. Eigenlijk komt dit dan nóg vervelender over.
Maar goed, hij zingt geweldig en de hele band is ook nog geweldig. En dan nog allemaal prachtige songs…. Zo’n concert kan dus eigenlijk niet fout gaan. Wat mankeerde er nog wel aan dan? Misschien juist het feit, dat de live-uitvoeringen niet zo heel veel verder gaan dan het letterlijk en helemaal g0ed naspelen van de plaat. Als de nummers éven wat minder temperamentvol zijn, dan kun je de plaatversie nog hartstikke goed vinden, maar komt ‘t live niet ver genoeg boven de kamermuziek-beleving uit.

Na drie niemendalletjes, die ik wel ken, maar niet exact weet te plaatsen (op welke CD staat deze ook alweer?) begin Boulter met de voordracht van Chocolate: het eerste nummer van The Something Rain. Een nummer van bijna 10 minuten, waar in Boulter in spoken word een heel bijzonder verhaal vertelt, begeleid op een steeds voller bed van geluid, met uiteindelijk geweldige saxofoongesoleer. Prachtig!
Dat bleek ook de Something Rain-opmaak: de hele CD volgde, exact in de CD-songvolgorde ook nog. En dat was dan ook na iets meer dan een uur het einde van het concert. Éven voelde ik me toch beetje bekocht.
Maar Stuart en z’n maten kwamen terug, speelden drie prachtige lange songs live en kwamen ná het volgende ovationele applaus wéér terug voor nog twee songs, waaronder ‘Can we start again’ van Simple Pleasures uit 1999. En zo ging iedereen toch erg enthousiast naar huis.
Die snor stond ‘m trouwens niet goed, hoe begon er zowaar beetje door op Freddy Mercury te lijken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Mark Lanegan

Hij zag er knap slecht uit, gisteravond. Mark Lanegan in een helemaal volle kleine zaak van de Oosterpoort. ‘k Had ‘m nooit eerder live gezien. Met zo’n prachtige zware basstem verwacht je eigenlijk een erg stoere grote vent. Maar Lanegan is eigenlijk maar een schriel mannetje. En met dat puntbaardje, een ingevallen gezicht en beetje Catweazle-kapsel wordt ‘t er niet beter op.
Maar goed, dat is nu eenmaal ook z’n image. Het gebeurde ook wel, dat hij z’n optredens helemaal niet afgerond kreeg als gevolg van drank- en drugsmisbruik. Daarvan gisteravond gelukkig geen spoor.

Hij treedt momenteel op met z’n eigen band: Mark Lanegan Band. En ze spelen alles van de nieuwste CD ‘Funeral Blues’. Deze CD is érg goed. Nog maar kort geleden uitgekomen, maar hij speelde gisteren dus allemaal voor mij al heel bekende en vertrouwde nummers. Ze werden ook ‘gewoon’ integraal gespeeld: geen uitgesponnen live-uitvoeringen of zo. Alleen het lang uitgesponnen laatste nummer van Funeral Blues, ‘Tiny Grain of Truth’, ook het laatste nummer van de set, maakte er een echte finale van. De gitaarsolo daarin was nog beter dan op de plaat. Dat gold dan weer niet voor die lange solo middenin ‘Ode to Sad Disco’, want die is op de CD nog veel mooier.
De begeleidingsband was onopvallend en degelijk, afgezien van de gitarist met James Dean-look en -lok. Op enigszins introverte wijze (hij keek eigenlijk alleen naar zijn gitaar) ging hij geweldig tekeer op zijn gitaar. Lanegan kan ook heel goed murmelen en soms verdween hij gewoonweg enigszins naar de achtergrond met z’n eigen performance.

Zijn ‘thank you’s’ (stuk of 3) waren obligaat; hij stelde onverstaandbaar murmelend zijn bandleden voor en dat was het. Geen ontvankelijke man, die Lanegan. En zoals-ie eruit ziet zou je denken, dat hij nog steeds wel erg into the drugs is.
Het concert duurde netjes 2 volle uren, met 4 nummers als toegift. Er viel gisteren absoluut nergens over te mopperen, zonder dat het nu een echt sprankelende avond was.

De Dijk – het jaarlijkse feestje

Jaarlijks komt De Dijk in het eerste weekend van december naar Groningen, voor twee concerten, op vrijdag- en op zaterdagavond. Het volk dat op De Dijk afkomt heeft ook al zoveel muziekjaren op het conto, dat het vatbaar is voor traditie. Je zou er eens onderzoek naar kunnen doen: voor hoeveel mensen in de volle grote zaal van het concert is het een jaarlijkse traditie geworden? Voor mij is het dat dus.
Niet zozeer uit eigen keuze, eigenlijk is dat niks voor mij. Ik heb altijd een moeilijke verhouding met nostalgie. (Daarvan de laatste week ook de bevestiging: wat een gedoe, dat georganiseer van familiesamenzijn met kerst in combinatie met vijf interafhankelijke schoonfamilies!) Ik krijg dit avondje altijd in de schoot geworpen: een presentje van mijn vriendin. Ik krijg veel van ‘mijn’ muziek niet zo erg goed tussen haar oren (wat ik ook probeer), maar voor De Dijk gaat ze uit haar dakje. Het is ook altijd weer erg leuk om te zien, hoe veel veertigers (en ouder) een uitgelatenheid ten toon spreiden, waarbij ik dan weer denk: doen ze dit wel vaak genoeg, zo door het jaar heen?

Huub had het weer erg goed voor elkaar. In een strak pak, met roze gebloemd motief erop, met stropdasje erbij, zoals gewoonlijk. En na een half uur jasje uit. Kekke bloes, ook met roze bloemen. En dan na ‘zijn korte pauze’ (kan de band even solo’en) komt-ie terug (vorig jaar ook) met een T-shirt met Solomon Burke erop. Bij vooraankondiging van een liedje ging hij even zijn overledenen langs, na papa en mama kwam natuurlijk ook Solomon aan de beurt, maar op het eind (hij weet waar hij is!) “mijn vriend Harry” (Muskee, voor wie dit leest en wat op afstand staat). Hij speelt lekker op het sentiment. De gemenerik in mij vraagt zich dan wel stilletjes af: ‘vriend?,vriend?.

We stonden ook weer op onze vertrouwde plek. De trap omhoog aan rechterzijde. Heerlijk daar. Niet zo erg tussen het gedrang, en heel open zicht op alle, en volop ruimte. Via Google vond ik een foto vanachter het podium vandaan, waar je de zaal in kijkt en daar zie je in het publiek achteraan twee witte truien staan: precies daar staan wij altijd! ;-)

Hoezeer ook een sfeervol feestje, het is natuurlijk (en dat zeg ik dan ieder jaar weer) wel ook een geweldig goeie ambachtelijke band. Het zijn geweldige muzikanten met elkaar, met veel chemie. Klassiek is dan het nummer ‘Onderuit’, dat live uitgesponnen wordt met heerlijke piano-intro, solo’s en lange finale. Dan telt natuurlijk ook mee, dat de teksten geweldig zijn om mee te galmen, met een heerlijk persoonlijke noot: een tekst die je dan ook veel mannen  hun vrouwen hard toe ziet zingen: ‘dooooodgaan!, dood in jouw armen, heel even maar!!’ Ja, dat komt wel lekker aan.

Er is ook een nieuwe CD uit, Scherp de zeis’. Daar werden ook wel wat nummers van gespeeld, maar niet zoveel. Huub weet wel waarvoor nostalgisch publiek komt. Niet bepaald voor de vernieuwing. En hoe aardig de latere platen ook zijn: er staan geen klassiekers meer op.
Misschien dat Huub zich geleidelijk nog meer ‘gespleten’ gaat voelen. Hij zat een beetje aan het randje, vorig jaar; vond het fijn even naar de achtergrond te gaan, toen Solomon Burke de Dijk-liedjes in het Engels zong. Toen Burke zomaar dood was, vroeg Huub zich ook af: wat moet ik nou nog verder…? Hij heeft van nostalgie zo’n beetje zijn carrière gemaakt, maar hoe lang hij dat nog volhoudt….

Triggerfinger

Triggerfinger is in no time een hele grote band geworden. De CD’s maken het waar, maar ik had al vernomen, dat Ruben Block c.s. dat live nog veel meer waarmaken. Nadat dit voorjaar de band nog 2x in Vera optrad, dat weliswaar ook 2x uitverkocht raakte, waren ze nu voor het eerst op het gróte Groningse podium. Ik dacht nog ietsje te lang dat het wel los zou lopen met de verkoop maar vergiste mijn deerlijk: ook ruim van te voren uitverkocht! Toch heb ik nog een kaartje weten te bemachtigen, via Marktplaats.
In het voorprogramma ‘Drums are for Parades’, een trio uit Gent dat een geweldig takkeherrie maakte. Publiek kon het erg goed verdragen, maar erg origineel was het niet. Over een paar weken zie ik op dezelfde plek Huub v.d. Lubbe weer terug. Ruben Block kan zich qua personality wel vergelijken met Huub. De jongens van Triggerfinger, met een eerste klas Blues Brother op de bas en een drummer met een rode stropdas en geruit jasje en dan Ruben, stoer en verzorgd, netjes in pak met turquoie overhemd eronder en met gelakte James Brown-laarsjes, die hij van zijn blues brother ook nog even netjes mocht laten zien aan het publiek. En net als bij Huub altijd doet kwam ook Ruben na een opzwepende drumsolopauze terug zónder jasje om nog even verder het dak uit te gaan.

Veel communicatie met het publiek. Enerzijds vanuit de wetenschap dat ze écht wel groot genoeg zijn voor het sterrendom en anderzijds dankbaar. Ze komen niet zo gauw meer terug in Vera, maar de fantastische mensen van Vera werden hartelijk bedankt en kregen op verzoek van Ruben een enorm applaus. En, nog mooier: “Jongens, we hadden laatst 3x De Melkweg helemaal vol, maar, laten we eerlijk zijn lieve mensen: dat is nog lang niet zo leuk en speciaal is jullie hier in Groningen!!”
En zo is ‘t maar net. Mijn favoriete nummer ‘Baby’s got a gun’ was gelukkig écht een van de hoogtepunten. Maar ook ‘Cherry’ en, in de 2e toegift ‘It hasn’t gone away’ waren hoogtepunten. En ‘I’m coming for you’ natuurlijk.
Het grote verschil met Triggerfinger-in-Vera is helaas wel, dat een ‘groot publiek’ ook de feestgangers aantrekt, de mensen die niet écht voor de songs komen maar voor de sfeer. Het is bijzonder om te zien, dat veel mensen gewoon aan het praten, drinken, lol schoppen zijn tijdens de opbouw van de spanning bij Baby’s got a gun. Dat kán natuurlijk niet.  En ik was blij, dat ik niet midden in het publiek stond, doch heerlijk kon kijken vanaf mijn stoel op de vierde rij, want er gingen regelmatig een plastic beker vol bier dwars door de zaal.
Jawel, Triggerfinger is samen met dEUS wel het beste dat we hebben in de Benelux op het terrein van echte goeie hardrock.

De zangeressen van de koning van Bhutan

Linde Nijland was vroeger één van de twee dames Ygdrassil. Ze maakten folk, op de oude Kelten gebaseerd. Annemarieke Coenders is wat eigentijdser gaan musiceren; Linde zit, samen met haar partner Bert Ridderbos, nog steeds midden in de traditionelere volksmuziek.
In 2008 zijn ze samen in een Landrover gestapt en hebben ze 15 duizend kilometer gereden. Einddoel: Bhutan. Onderweg ook nog opnamen gemaakt in Servië en Iran, musicerend met lokale muzikanten. Ik heb gisteren ook de CD, met DVD – film over de reis – aangeschaft: ze hebben mooi verslag gedaan van het avontuur.
De afgelopen weken waren de twee zangeressen en zanger/gitarist (er is een ander woord voor het originele Bhutanese snaarinstrument, maar ik ben ‘t even kwijt) ‘on tour’  met Linde en Bert. Wij maakten het laatste concert mee, in het Koetshuis van de Ennemaborgh in Midwolda.

Om drie uur  liep het Koetshuis helemaal vol. We hadden ons heerlijk geïnstalleerd van de knappende open haard, aan de stamtafel, met een groot glas rode wijn. Uiteindelijk zat het Koetshuis mutjevol met 250 mensen.
Ik had Linde nog nooit eerder live gezien of gehoord. Ze maakte er een mooi geheel van door tussen haar liedjes door te vertellen over de reis en over de tradities van Bhutan. Dat deed overigens één van de twee Bhuatanese zangeressen in goed Engels tussendoor door. Bhutan is een bijzonder landje: ze koning was erg geliefd bij het gehele volk, ook als alleenheerser, maar hij heeft een jaar of wat geleden de macht aan het volk overgedragen (600.000 mensen in een land zo groot als Nederland). Er veranderde echter niks: er lijkt geen sprake van wat voor richtingen- of machtstrijd dan ook.
Men maakt zich wel grote zorgen over de natuur. Zeventig procent van de oppervlakte van Bhutan gestaat uit bos. Maar ook hier zijn de eerste snelwegen aangelegd. En waar tot voor kort in elk dorp een andere dialect werd gesproken, gaat hier ook de verbinding de culturele diversiteit te lijf.
De koning heeft naar het Bruto Nationeel Product ook het ‘Bruto Nationaal Geluk’ als praktische eenheid voor het organiseren van bestuur geïntroduceerd. In het kader daarvan waren ‘zijn zangeressen’ nu ook met hun goeie business bezig.

Hun zang deed me weer denken aan Uma Shagar! Daar heb ik jaar of vijf geleden érg veel naar geluisterd. En dat wil ik nu graag weer gaan doen. Wat een geweldig mooie sfeer roept deze muziek op. Dat geldt ook voor het getokkel op die ‘gitaar’ (zie foto). Pema, de Bhutanese gitarist, speelde ook een mooi stuk samen met Bert, waarbij Bert op een ‘cittern’ speelde. Da’s een middeleeuwse Europese ‘gitaar’. Geef mij maar het luisteren hiérnaar dan allerlei andere transcendente meditatie.
Linde zong wat gospels en oude folkliedjes. Ze deed ook nog een song in het Gronings, terwijl ze dus zelf Fries is.
Net als vorige week bij de ‘Warme Winkel’ in Westeremden: beter kun je zondagmiddagen niet besteden!!

Into The Great Wide Open – 2011

De finale van de zomer van 2011: op Vlieland naar het prachtigste muziekfestival dat Nederland rijk is. De slechtste zomer sinds een eeuw, maar….. begin september en het is zomer op Vlieland (en trouwens in de rest van Nederland ook). Zelfs de zondag, waarvan voorspeld werd, dat deze nog wel eens flink in het water zou kunnen vallen, was prima. Merrill Garbus van Tune-Yards vertelde het publiek, zondag om 11.30 uur ’s morgens, dat ze ontzettend bang was geweest, dat het regenen zou en dat ze tegen een publiek van ongeveer 10 sjacherijnige gezichten zou moeten aankijken, was helemaal laaiend: de zon brak door en het hele veld was al vol! Vorig jaar nog keek ik naar Hauschka, ook in de zon en lagen de amper 100 kijkers in het gras te luisteren.

Tune-Yards was één van de hoogtepunten van het festival. Hoop dat deze dame echt succes gaat krijgen met haar bijzondere muziek. Misschien is dit wel een opmaat voor “iets nieuws” (of ben ik blind en is hier niks nieuws aan?!): ze mixt eerst met haar voeten wat indianengeluiden (uit haar keel) door elkaar, gedubd met wat trommelslagen. Dan heeft ze binnen 30 seconden het fundament van het liedje dat ze gaat brengen. Dan is er niemand meer nodig en heeft ze haar one-woman-band, met een veelheid van geluiden en alle ruimte om er zelf een feestje bovenop te bouwen.

Overigens had ze wel een bassist en 2 saxofonisten bij zich, alledrie ook met indianen-verfvegen over hun gezicht. Ze sponnen de songs soms uit tot heerlijk georkestreerde kakafonie. Het publiek ging op zondagmiddag vroeg al uit zijn dak.

Dat was op de afsluitende zondagmiddag. Na dit concert ook nog naar Eefje de Visser gekeken, die op het podium in het bos speelde. Een feërieke omgeving die goed bij haar past. Ze speelde de meeste liedjes van haar CD ‘De Koek’.  Denk dat de meeste mensen de lieflijke muziek verwachtten, die combineert met de atmosfeer, haar bloemenjurk en poppige look. Op zich was het dat ook, maar de combi van het rap-zingen met de naïeve door elkaar kringelende zinnetjes van haar heerlijke bedachten teksten geven het ook een speels en extravert karakter.

Niemand liep weg bij haar concert. Dat was op vrijdag bij Lightning Dust wel anders. Dat sloeg echt totaal niet aan. Wel jammer. Had veel beter gekund. Maar eerst nog even bij zondag blijven.

Na Eefje ging ik kijken bij de Zweedse band Junip, met frontman Jose Gonzalez. Kan me voorstellen, dat veel mensen deze muziek wat saai vinden, maar ik houd erg van het hypnotiserend lang hangen in een mooi gitaarthema. Geen hoogtepunt, dit concert, maar wel heel lekker.

Daarna even naar Pien Feith gekeken in de zaal van De Bolder, maar daar was het véél te druk; kon er nauwelijks meer bij. En ik kon het niet goed herkenbaar krijgen: het was een beetje teveel één geluid, één sfeer, één alles. Denk dat het heel anders bij me binnengekomen was, als ze op het open podium stond, of ook zelfs wanneer ik in een ruimtelijker zaal hiernaar geluisterd had. Te volle zalen benauwen me.

Het laatste concert voor mij was dat van Villagers. Da’s eigenlijk gewoon de Ierse liedjesmaker Conor O’Brien met een paar muzikanten erbij. Dat hij ook flink rocken kan, dat wist ik nog niet van zijn prachtige CD ‘Becoming a jackal’. Het prachtige ‘Pieces’ was een hoogtepunt. En bij ‘That Day’ stuurde hij zijn band weg en bracht het wonderschone liedje in zijn eentje. Ik kende hem al, maar voor velen was hij een positieve verrassing.
Ik heb op die zondag, maar ook op de dagen ervóór ook het nodige gemist, maar gelukkig lang niet zoveel als de mensen op de grote festivals. Het lijkt me frustrerend als regelmatig je eigen favorieten tegelijk optreden en je moet kiezen.

We gingen zondags pas om 20.30 uur met de snelboot weer naar Harlingen, dus hebben het festival helemaal af horen lopen. Na Villagers was er nog een laatste band en daarna nog een DJ. Eigenlijk was er op de zondag geen echte ‘finale’. Op zich denk ik ook, dat dat niet erg is. Ik kwam zelfs op het idee, dat het misschien wel goed is om de zaterdagavond met de zwaarste namen te vullen en van de zondag meer een ‘luisterdag’ (loungeluisteren) te maken.

Ja, die zaterdagavond met dEUS, dat was met recht het hoogtepunt! Sjongejonge, wat was de band goed zeg! De nieuwe CD van dEUS komt volgende week uit. Ze speelden daar ook nummers van maar hadden veel ruimte voor de klassiekers, met natuurlijk ook Suds & Soda en The Architect. De laatste week heb ik ’t vaak tegen mensen om me heen gezegd: dEUS is toch wel het beste wat de Benelux hebben voortgebracht in de afgelopen 25 jaar op het gebied van onafhankelijke, intelligente popmuziek. (Jongen, wat doe je pathetisch!;-)

De avond werd afgesloten met Crystal Fighters: het dieptepunt van het festival. Wat een onzin-band is dat zeg. Met als diepste dieptepunt wel het kinderachtige hitje ‘Do you wanna come to the plage with me’. Gauw vergeten, deze feestmuziek voor dronken jeugd.

Dan was De Jeugd van Tegenwoordig een stuk leuker. Heeft nu een hoog campgehalte. Ze waren ook continu de draak aan het steken met het ‘ouwelullenpubliek’. Zij maakten er écht een feestje van. Je kon goed merken, dat héél veel mensen die anders nóóit naar dit soort muziek luisteren, nu geweldig gelegenheidsplezier hadden. Mensen als ik dus.

Kings of Convenience heb ik niet gezien wel gehoord. Ik was namelijk risotto aan het koken tijdens dat concert. De zuidwestelijke wind bracht het geluid van alle optredens op het sportveld-podium helemaal thuis bij ons tenthuis in de duinen. Klonk goed en ook positieve verhalen over gehoord. Erland Oye van deze band was vorig jaar ook hier, toen met zijn andere band Whitest Boy Alive. Hij vond het toen zo’n geweldig feest (was ’s nachts ook op het strand, musicerend bij het kampvuur met honderden meezingers), dat hij graag weer wilde komen met zijn maatje van de Kings.

Zaterdagmiddag heb ik me in de Bolder laten verrassen door Parne Gadje. Zeer rare naam voor een band, maar goed. Het is een in Nederland residerend balkan-georiënteerd orkestje van vier man. De Nederlandse accordeonist/zanger was geweldig, maar ook de fluitist en de gitarist, veelal op een dobro-gitaar. We waren op deze zonovergoten zaterdagmiddag met slechts zo’n 150 man in de Bolder. Ik stond vlak voor het podium en heb 2 songs helemaal opgenomen met de camera.

Het voelde als een intiem concert; alsof we met elkaar een klein geheim op het festival deelden. Enorme ovaties en gejoel na elk nummer. Het dak ging er echt af. Ik vond ’t geweldig.
Heb daardoor wel GEM gemist; die speelden in het bos tegelijkertijd en daar waren anderen weer erg enthousiast over.

Vroeg in de middag keken we naar een verwacht hoogtepunt, dat het uiteindelijk niet echt werd: Agnes Obel. Haar liedjes zijn eigenlijk te mooi voor zo’n omgeving vol van afleiding. We waren lyrisch, in mei, toen we haar zagen in de Stadsschouwburg. Nu stond ook de apparatuur heel slecht afgesteld, waardoor de cello verschrikkelijk over het veld bromde. Je ingewanden trilden mee. Heel vreemd: we vertelden het de geluidsman, maar die vond het normaal.
Veel mensen vonden dit concert erg tegenvallen.

Om elf uur ’s morgens was de dag begonnen met Alamo Race Track. Goeie band zeg. Echt zo’n Excelsior-geluid. Hoe goed de muziek is, het lijkt op zich altijd allemaal een beetje op elkaar. Wat mij betreft zijn er toch veel te veel Tim Knolletjes in Nederland. Maar daarmee doe ik Alamo Race Track tekort, want ik vond het een gevarieerd geluid. Ze speelden ook het prachtige nummer ‘Black Cat John Brown’.

Ik vergeet Marike Jager nog. Heb van haar ook nog een half uur meegepikt op het bospodium (genaamd “Naar buiten”). Supermuzikante hoor. Ik hoor haar veel liever van Roosbeef (één van de acts die ik heb geskipt dit weekend). Maar helemaal beklijven deed het niet, zaterdag.
Dat was de zaterdag.  Rest nog de vrijdag.

We waren al vroeg op Vieland, vrijdagmorgen om 11 uur. Wat is het altijd weer heerlijk om in de zon de Waddenzee over te steken! Op Vlieland eerst een halve middag met grote glimlach bij ons tenthuis gezeten. Natuurlijk ben ik ook gauw weer naar bakker Wester gegaan om een paar van die heerlijke hartige broodtaarten te halen. Die taart tjokvol olijven is altijd weer het beste! Uniek, die bakker!
Keek eerst naar een gezelschap uit Soweto. Opzwepende teksten over het rauwe leven in Zuid-Afrika, over AIDS, etc. Het is even leuk, maar na een half uur wist ik wel dat de gitarist echt maar 2 akkoorden spelen kon en ging het geforceerd opzwepende nogal vervelen.

Toen naar Lightning Dust in het bos. Amber Webber en Joshua Wells, die samen ook deze band hebben, zijn beide deel van The Black Mountains, een geweldige band uit Vancouver. Met Lightning Dust maken ze wat sympho-folk-achtige muziek. Op de plaat klinkt het soms erg mooi. In het bos kwam het totaal niet uit de verf: veel mensen liepen tussen de nummers door weg.
Daarna naar Pete & The Pirates gekeken, op het grote podium. Een deel van het publiek vond dit echt geweldig. Ik vind het veel te simpel. Ze deden hun best om de liedjes zo kort mogelijk te maken. Nee, is me allemaal te kort door de bochte rampestamperij kinder-rock’n roll.

Daarna ben ik naar Kurt Vile en zijn band gegaan, in de binnenzaal van De Bolder. Dat vond ik een geweldig mooi concert. Aparte jongen, die Kurt: zijn gezicht krijg je niet te zien. Zijn lange haren hangen voor zijn continu naar beneden – naar zijn gitaar – kijkende gezicht.

Hij kon soms semi-croonen als een Bob Dylan, maar net zo vaak kwam de vervormer over zijn gitaar heen en werd het fantastische mega-kabaal. Ik ga de weken weer eens wat meer luistern naar zijn mooie CD ‘Smoke ring for my halo’.
Direct hierna naar het sportveld gerend, waar inmiddels één van mijn grote favorieten, Laura Marling, was begonnen. Ik had haar al eens in het voorprogramma van Elbow gezien, in de Oosterpoort. Ze was heel verlegen (had ik ook al gelezen toen) en durfde bijna de zaal niet in te kijken. Dat viel nu wel mee. Ze is inmiddels ook aardig doorgebroken.

Ze had een flinke band bij zich en dat klank supergoed. Alle geweldige nummers kwamen voorbij, zoals Hope in the air en  I speak because I can. Ook van haar komt binnenkort een nieuwe CD uit. Ze speelde daarvan ook veel nummers. Veelbelovend.
Aan het einde van de avond bespeelde Bonobo het publiek op het veld goed. In het begin was het nog wat bezadigd met een soulzangeres erbij. Later werden de nummers meer electro-dance-beat-etc. en deinde het veld helemaal mee.

Dit was het wel zo’n beetje, qua muziek. Het festival zelf was geweldig goed georganiseerd. Heel veel eettentjes en zo; beetje aankleding á la De Parade (of: De Noorderzon). Iedereen is in een opperbeste bui. Je hoeft op zich nergens lang te wachten; er is bijna altijd wel ruimte. Ik had één keer moeite om bij een concert in de Bolder te komen. En toen het net even minder weer was en Bastian in de Bolder speelde, zag ik al van een afstand, dat er veel te veel mensen naartoe wilden.

Ook heb ik nog het akoestische verrassingsoptreden van dEUS in het bos gemist, omdat er niemand meer werd toegelaten. Tja, daar kwamen gewoon téveel mensen op af. Dat drukte verder mijn pret niet echt.
Het geheel van zo’n weekend is gewoon geweldig. Ons huisje op 500 meter van het podium. Een goeie huurfiets tot je beschikking. Wilde ik vanuit mijn luie stoel, thuis, naar een staplaats op 10 meter van het podium, dan was ik bij elkaar 5 minuten onderweg. En je hebt óveral het gevoel dat je op het feestje bent, want over het hele eiland klinkt de muziek.
Volgend jaar gaan we weer. Zeker weten.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.