Lawine

De column van Rob Wijnberg, eergisteren in NRC Next, was weer eens geniaal. Hoe hij humor combineert met erg vileine kritiek, geweldig. Ik knip en plak ‘m even integraal hier. Mag misschien niet, maar zo erg zal Rob ‘t me niet kwalijk nemen. Ik heb ‘m hier vandaan gehaald.
====
Goedenavond. Dit is een ingelast NOS Journaal. Nederland is zojuist getroffen door een lawine aan non-nieuws. Ter plaatse op het Mediapark is verslaggeefster Lidwien Gevers. Lidwien, hoe is de situatie nu?”
„Daar valt op dit moment niks over te zeggen, Sacha. Wel zie je achter mij het gebouw waar de lawine is begonnen. Daarnaast, in de verte, zie je de satellietschotel waarmee de lawine zich verspreidt. En in mijn hand zie je de microfoon waarmee de lawine as we speak wordt verergerd.”
„Duidelijk, Lidwien. Mocht je straks nog minder te melden hebben, dan komen we bij je terug. Bij ons in de studio is inmiddels aangeschoven Jan de Vries, expert op het gebied van medialawines. Jan, heb jij enig idee wat deze lawine heeft veroorzaakt?”
„Daar zou ik hoogstens over kunnen speculeren.”
„Doe maar, we hebben tijd zat.”
„Lawines in categorie 4, zoals deze, beginnen meestal met overmoed: de journalist denkt binnen een minuut genoeg informatie te hebben om verslag te kunnen doen. Als de lawine dan begint te schuiven, ontstaat existentiële angst: de journalist wordt doodsbang iets te missen waarmee de concurrent aan de haal kan gaan. Na een tijdje treedt er zuurstofgebrek op en gaat de journalist ijlen: hij verzint dan gewoon maar wat. Uiteindelijk gaat de journalist schreeuwen om hulp. Dat noemen jullie geloof ik duiding.”
„Ja, daarom zit jij hier ook.”
„Precies.”
„Weet je wat de gevolgen zullen zijn voor de toeschouwers van de lawine?”
„Ik kan wel wat gokken.”
„Graag.”
„Nou, in eerste instantie raak je totaal in paniek: je gaat dan als een bezetene al het nieuws volgen dat op je afkomt. Daarna krijg je last van onderkoeling – het nieuws interesseert je niks meer. Mocht je onverhoopt te lang onder het nieuws bedolven blijven, dan is de kans op een hersendood aanzienlijk.”
„Hoe groot acht jij die kans?”
„74,8 procent. Maar dat is nergens op gebaseerd.”
„Duidelijk. Straks: premier Rutte, Henk en Ingrid, de burgemeester van Hilversum, een twitteraar en zes columnisten over de lawine. Blijf bij ons.”

Dieren eten

Zó normaal was het ook in mijn jeugd niet, dat ik van de boerderij kwam. In hartje Randstad bewogen zich om de boerderijen heen steeds meer forensenkinderen van gezinnetjes, die uit de ‘grote stad’ naar de nieuwe buitenwijken in de dorpen waren uitgeweken. Ik had eens zo’n Amsterdammertje over de varkensstalvloer en hij zei: “Dit zijn geen varkens, want varkens zijn rose en hebben een krul in de staart!”.
Het voelde als een exclusiviteit, te mogen opgroeien op een mooie grote boerderij, ook toen al. Dat er echter veel was, dat ik me niet voldoende realiseerde, daar kwam ik met een schok achter, toen ik ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ van Geert Mak las. Ik was uit jaar of 35 toen. Het wezen van dát boerderijleven, dat van mijn jeugd, dat bestond niet meer!

Toen ik ‘Dieren eten’ van Jonathan Safran Foer aan het lezen was, werd ik weer flink geconfronteerd met die werkelijkheid. Als student heb ik een jaar of 3 geen vlees gegeten. Ah, natuurlijk wel de rookworst bij de boerenkool, en nog zo wat van die dingen, maar ik kookte vegetarisch. Uiteindelijk sijpelde het weer weg uit mijn leefpatroon, hoezeer ik ook veel zonder vlees ben blijven koken.
Ik ben (nu eenmaal?!) een lui wezen: ik ‘weet’ het allemaal wel, maar het is lastig om al die consequenties te trekken. Het gaat er nog niet ééns zozeer om dat vlees te lekker is om te laten staan. Immers, ik heb ook lang niet afdoende energie gestoken in het onderzoeken van de alternatieven.

Als je als vleeseter ‘Dieren eten’ gaat lezen, dan houdt dat eigenlijk in, dat je je ervoor open stelt, dat er daarna je houding ten opzichte van het eten van vlees wilt of kunt aanpassen. Met die gedachte begon ik ook te lezen. Wél ook wetende, dat ik een lui mens ben. En, waar heeft het me gebracht?

Foer is zelf absoluut vegetariër geworden na het 3 jaren durende onderzoek, dat gebonden was met het schrijven van dit boek. Maar hij benadrukt, dat dit voor hem geen principiële maar een praktische keuze is geweest. Foer richt zijn pijlen vooral op de bio-industrie. Het eten van het vlees van dieren die een prima leven hebben gehad wordt door Foer totaal niet afgewezen. Hij vertelt erg respectvol over boeren die hun best doen met respect en eer voor het dier toch hun werk ervan maken, het beest uiteindelijk op tafel te brengen. Foer gebruikt dat op een slimme tactische wijze richting de lezer: deze boeren vechten namelijk bijna zonder uitzondering tegen windmolen: het IS zo goed als NIET mogelijk om een vleeseetwerkelijkheid te bouwen, waar je als boer ook nog eens van leven kunt,  die niét op de één of andere manier toch corrumpeert of concessies moet doen.

Meer dan 99% van het vlees is bio-industrievlees. Het is echt verschrikkelijk. En het boek staat natuurlijk helemaal bol van de wantoestanden in de bio-industrie. Je zou kunnen stellen, dat het thema van dit boek gaat over hoe hypocriet wij met onze ‘beschaving’ omgaan. Ook Marianne Thieme houdt haar toespraken op de Al Gore-wijze: door alles te extrapoleren naar een breder maatschappelijk veld, naar onze gehele beschaving. Als wij zó met dieren omgaan, dan…. (moreel) en als wij zo intensief bio-industrie bedrijven, dan vernietigen wij het milieu, etc. (praktisch).
Foer is meermaals stiekem gaan inbreken in megastallen van varkens en kippen. (Bij deze beesten is het nog veel erger dan bij runderen.) Wat hij dan beschrijft is……. Brrrrrr. De mens is beestachtiger dan alle beesten bij elkaar!!!
Logisch ook, dat deze ‘fabrieken’ voor het volk echt gesloten moeten blijven. De zwakke moraal van de McDonald-bezoeker zou er zomaar van kunnen bezwijken. Ik bedoel: wakker worden. En dat moet de industrie niet hebben. Vlees heeft domweg niets meer met dieren te maken, dat is wel de rode draad. En dat is eigenlijk een heel recente geschiedenis. Dat wordt wel weer bewezen door mijn eigen ervaring; mijn eigen jeugd op de boerderij. Onze koeien hadden het nog heel aardig hoor! Lekker lui in de wei.

Blz. 254:
Het morele aspect van de relatie tussen veehouders en hun dieren is uniek. De boer moet een levend wezen grootbrengen met het doel het te slachten voor vlees, of af te maken als het niet meer productief genoeg is. Daarbij mag hij niet emotioneel betrokken raken en ook niet heel cynisch worden over de behoefte van het dier aan behoorlijke leefomstandigheden. Op de één of andere manier moet de boer een dier op een winstgevende manier grootbrengen zonder het alleen maar te beschouwen als product.
Mag je dit van boeren verlangen? Is vlees in onze huidige industriële samenleving wel te rijmen met mededogen? Is het niet noodzakelijkerwijs een afwijzing, een mislukking, misschien zelfs een keiharde ontkenning ervan?

Blz. 264:
Wij kunnen ons niet beroepen op onwetendheid, alleen op onverschilligheid. Wij zijn van de generatie die beter zou moeten weten. Wij waren erbij toen de kritiek losbarstte op de bio-industrie, en dat is een last en een kans. Wij zijn degenen aan wie gevraagd zal worden: Wat deed jij toen je de waarheid hoorde over het eten van dieren?

Bio-industrievlees: ik wil er graag bij vandaan blijven. Ik koop geen vlees in de supermarkt. Maar ik weet niet hoe mijn keurslager, hier om de hoek (ik kom er graag), zich verhoudt tot bio-industrie. Deze slager gaf mij laatst wel aan, dat zijn eieren geen biologische eieren zijn.
En wat eet je in het eethuisje om de hoek als je een biefstukje eet?
Foer stelt, dat als je halve maatregelen neemt, dat je dan feitelijk nog gewoon de bio-industrie ondersteunt. Het is keihard.
(En hieronder stond nog een ‘moreel stukje’ over de terugkoppeling naar mijn eigen leven. Maar dat vond ik ook wat pathetisch worden; heb ik weer weggehaald. Ik moet zelf die spiegel van mijn geweten maar blijven zoeken…)

Coco en de kracht van verandering

“Wordt jouw identiteit bepaald door jouw succes of bepaalt jouw authenticiteit jouw succes?
Veranderen betekent letterlijk “anders doen” en “loslaten”. Negen van de tien mensen zijn bang voor verandering en houden graag vast aan de vaste patronen en zekerheden die ze zelf gecreeerd hebben. De vraag is: “Werken deze nog voor je?” Het is onmogelijk om je omgeving of iemand anders te veranderen, ook al zouden we dat soms graag willen. Door zelf afstand te nemen van zaken, die je belemmeren in je leven en je de vraag te stellen : “Wat ga ik nu anders doen?” verandert je gedrag en daardoor je resultaten.
Als lifestyle consultant houd ik mij bezig met het geven van lezingen/presentaties, imago-stijladviezen en ben werkzaam als coach(gecertificeerd Master Practitioner of NLP, timeline therapeut en hypnotherapeut)
Ik ben goed in mijn vak door mijn invoelend vermogen mijn warme persoonlijkheid, mijn openheid, mijn passie voor wat ik doe, mijn smaak,  aandachtig te luisteren en mij volledig te verplaatsen in mijn client/ opdrachtgever.”

Dit kun je lezen op de website van Coco de Meyere. Nu nog wel; het zal wel gauw van internet gehaald worden, want Coco heeft gisteren een einde aan haar leven gemaakt. Tja, hoeveel verandering kun je dragen?, vraag je je dan af.
Wat nou mooie winst zou zijn, dat is wanneer er nu een goeie publieke discussie zou ontstaan over de idioterie van het hele concept ‘lifestyle’. En als we dat nou ook eens plakken aan dit ‘einde der decadente tijden’, dat er sowieso nu eens aan moet zitten te komen. Dat hele ‘occupy’-gedoe mag naast de geldgraaierij ook wel gaan over de mentale teloorgang in consumentisme, uiterlijkheid, jetset, egomanie, reality-geklooi etc. etc.
Coco: “Het is voor mij een uitdaging om steeds weer mijn horizon te verbreden, mezelf te blijven ontwikkelen d.m.v. het uitwisselen van ideeen en gedachten, openstaan voor andere denkbeelden en nieuwe uitdagingen aan te gaan.  Mijn credo is dan ook, dat ik altijd iets doe wat ik nog nooit heb gedaan en door de ervaring beslis of dit bij mij past of niet.”
Ze heeft iets gedaan, wat ze nog nooit had gedaan. Hoezeer het bij háár past, weet ik niet, maar dat het op de een of andere manier past bij dit soort lifestyle…. Jawel, voor mijn part!!

Vieux Farka Touré – drie keer is scheepsrecht

Na het concert kwam Vieux zelf achter de balie in de hal bij de kleine zaal van de Oosterpoort, om samen met de bassist nog wat CD’s te verkoppen. Daar wandelden we naar ‘m toe. Hij kerkende ons direct en stak met een big smile zijn hand uit. “Here we aren again!”.
We troffen Vieux, zoals al eerder gemeld op dit blog, in augustus per toeval in Hondarribia (Spanje) en, geen toeval, in Timboektoe, begin januari. Bij die gelegenheid zijn we ook nog bij hem thuis geweest in Niafunké, waar we ook zijn moeder, de vrouw van Ali Farka Touré, ontmoetten.

Het concert in Timboektoe was een echt festivalconcert. Nogal rommelig en ook wat korter. Het concert in Spanje was ook in kader van folkfestival, op een middeleeuws stadspleintje (zie ook bij 19/8 op deze post). Gisteren was-ie dus met gitarist, bassist en ‘kalebassist’ in de kleine zaal van de Oosterpoort, die tot mijn ontsteltenis maar half gevuld was, en dit concert was eigenlijk nog veel béter dan de eerdere concerten.
Hij speelde heerlijk lang uitgesponnen nummers, waarin hij op zijn gitaar geweldig vingervlug zijn Afrikaanse electrische gitaar-blues op eenvoudige thema’s aaneenspon. Toen hij na de lange solo aan het einde van Walaidu kwam, moest hij zelfs even flink aan zijn linkerhand schudden! Goed voorstelbaar, want oei oei wat een ongelooflijke vingervlugheid zit er in de gitaarsolo’s. Ik vind het echt zwaar genieten, deze concerten. Zijn muziek komt véél meer tot leven dan wanneer je het alleen van de plaat hoort. Veel mensen gingen voor het podium dansen uit het dak. Ik zit dan meer gefascineerd naar zijn gitaarspel te kijken.
Over enige weken gaan we weer naar het jaarlijkse ‘De Dijk’-optreden in de grote zaal. Maar als Vieux Farka hier jaarlijks zou komen, dan zou ik er ook zéker alle jaren naartoe gaan!
En vanavond wéér naar Oosterpoort: ik heb tóch nog een kaartje voor Triggerfinger weten te bemachtigen!!

Misschien moet de VARA een ander callcenter inhuren?

“Goedemorgen, met de ledenservice van de VARA. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
“Goedemorgen (…). Gisteren is mijn vriendin gebeld door de VARA en werd haar het aanbod gedaan van de dubbel-CD “DWDD-recordings” in combinatie met een half jaar VARA-gids. Nu was dat een streep door de rekening van een leuke verrassing van mijn kant: ik was namelijk zelf ook gebeld, ruim een week geleden, en heb de aanbieding toen geaccepteerd, maar het bedoeld als een cadeautje voor haar en dus háár adres bij de VARA gemeld.”
“Meneer, wat is haar adres?”
Ik noem het adres, maar zeg direct: “Maar ik zou graag de aanbieding aan míj nu aan een ander willen aanbieden.”
Mevrouw is kortaf: “Ik heb haar adres nodig.” ….. “Mevrouw is niet bij ons bekend. Er staat geen aanbieding op haar naam.”
“Toch is ze gisteren gebeld. Ik kan me toch slecht voorstellen, dat ze heeft gedroomd.”
“Mevrouw is niet bij ons bekend. Wat is uw adres?”
Ze blijft erg kortaf, klinkt niet vriendelijk. Ik noem het adres.
“Uw aanbieding is geregistreerd. Ik zie dat bij deze registratie het adres van uw vriendin staat.”
“Dat is dus prima, maar ik wil nu graag dat mijn aanbieding naar een andere vriend gaat, wetende dat mijn vriendin nu zélf op de aanbieding is ingegaan.”
“Uw vriendin heeft geen aanbieding gekregen. Er staat niets op haar naam.”
“Neem mij niet kwalijk, maar dan wil ik graag dat u nog even nader kijkt of het alsnog in orde maakt, want zij heeft zich hiervoor opgegeven na een acquisitietelefoontje van een van uw collega’s. Ik zou graag haar aanbieding, die van gisteren, zo laten, opdat ik die van mij nu niet naar haar adres, doch naar een ander adres kan laten lopen.”
“Wij hebben niets in ons systeem.”
Meer komt er niet. Ik krijg haar voldongen feiten te horen en er volgt niets meer dat op ‘dienstverlening’ (laat staan ‘verleiding’ of acquisitie) lijkt.
“Als u zo blijft doen, dan heb ik geen zin in aanbiedingen van de VARA hoor. Ik wil graag dat u mij helpt. Het zijn uw aanbiedingen, waar ik op inga.”
“Nou moet u eens  goed luisteren meneeer……”
“U moet zelf eens goed luisteren naar mij mevrouw, ik…….”
Tuuttuuttuut.
Mevrouw heeft de hoorn erop gegooid!

(Dit via mail aan VARA laten weten. Dezelfde dag schuldbewuste VARA-medewerkster aan de lijn. Ze schaamden zich dood en gaan aan de bel trekken bij het callcenter, want “dit kan en mag zo niet!”)

Asieldebat

In ‘mijn’ NRC-next prima berichtgeving over de Mauro-toestanden. NRC-next trekt het probleem, met blijvend respect voor Mauro zelf, los van de fixatie op de individu Mauro. Ontdoet het zo van zijn sentimentele karakter, maar verhardt het ook niet door al te strikte rationalisering.
Maar dan is er weer Rob Wijnberg met zijn column. Een geniale column! Alleen de eerste zin in de column is van Wijnberg zelf. Die zin luidt “Het woord is aan de heer Leers”. En daarna volgen, om de beurt, telkens stukjes tekst van Gerd Leers zelf, wisselend uit 2006 en uit 2011. In deze stukjes tekst wordt één ding duidelijk: wat Leers nu ook zegt en hoezeer het ook logisch is dat hij dit zegt vanuit zijn functie nu en vanuit de taakstellingen, die hij nu eenmaal heeft geaccepteerd en die terugwijzen op regelgeving, die je nog eerder Cohen (als staatssecretaris meer dan 10 jaar geleden!) in de schoenen kunt schuiven dan de huidige regering: van enig geweten kan geen sprake zijn!
In 2006 (de maatschappelijk betrokken burgemeester die uit is op een volgende carrièrestap in de volle schijnwerpers) is alle profilering gericht op ethiek en moraal; in 2011 (hij heeft zijn zin gekregen!) zijn alle woorden gericht op de verantwoording van macht. Je gaat hem er bijna van verdenken, dat hij net zo geniet van zijn 2011-woorden als van die van 2006. Lees de column zelf: http://www.nrcnext.nl/columnisten/2011/11/01/asieldebat/

De moderne omroep Max

Jan Slagter wordt aardig serieus genomen, het laatste jaar, als de man van de omroep Max. Het lijkt erop, dat Max een plek op de publieke omroep heeft verworven. Een paar keer per week ben ik dermate vroeg het bed uit, dat ik, wanneer ik even teletekst (werkwoord) op de TV, geconfronteerd wordt het met spelprogramma dat Jan zelf presenteert en dat zich profileert als geheugentrainer. Je zou zeggen: voor oudere mensen, maar dat is niet echt het geval.

Afgelopen week stond daar een aardig uitziende dame naast Jan, als quizkandidaat. En geheel in Lingo-stijl begon Jan het inleidende praatje met getoonde interesse van enige achtergrondgegevens van de kandidaat: “Wat doet jouw man?” was, na het vragen naar de woonplaats, de tweede vraag van Jan.

En na het antwoord van de dame, die geenszins onthutst leek, kwam de volgende vraag: “En, werk je zelf ook nog?”.

De duivelse ICT

Ruim twintig jaar geleden werd ik er nog wel eens bij geroepen, toen ik nog werkte bij de GGD in Groningen, als één van de dames doktersassistentes of verpleegkundigen een probleem had met haar computer. Ik had dan vaak lol in de lichte shock die ik teweegbracht als ik zei: ‘ach, ’t is met computers net als met seks: als het niet was bedacht, dan zouden we ’t nooit missen en in de praktijk komt er misschien wel meer ellende dan lol van.
In die onschuldige ICT-jaren besefte ik echter nog lang niet hóeveel ellende er van kan komen: internet was er nog niet eens.

De praktijk leert ons nu steeds meer, dat we met die computerboel de duivel hebben binnengehaald. Het echt duivelse geldt de merkwaardige combi van oorzaken: de beperkingen én het gebrek aan beperkingen componeren samen het onheil. Voor mij zijn dat altijd de momenten van verlorenheid: dat ik niet meer snap wat groot is en wat klein, wat belangrijk en wat onbelangrijk. Die momenten dat je denkt: ben ik nou gek? Bijvoorbeeld als de minister ergens 50 miljard naast zit. Maar dus ook als je leest, dat ze bij Diginotar niet eens antivirussoftware op de computer hebben.

Die zware ‘menselijke zwakte’-kant zal er áltijd blijven; die houdt ons altijd  op het randje van de mogelijkheid terug te keren tot barbarendom. Dáárom juist is het zo eng, dat er in de mogelijkheden van ICT een onbegrensdheid huist. Daarmee is een apocalyps dichterbij dan in de tijd van de atoombommen. Het is allemaal wel een stuk subtieler. We vonden indertijd de ‘subtiliteit’ van de neutronenbom al gruwelijk: mensen gaan dood, gebouwen blijven staan. De huidige ICT-ellendepotentie is nóg een stuk subtieler daarin: álles kan! Je kunt mensen dood laten gaan, maar je kunt ze ook tegen elkaar opzetten, maatschappijen te gronde richten.

Dit geval met Diginotar is peanuts. Zoveel indruk maakt deze Iraanse jongen niet bij de hackers. Het gaat er eerder om, te bedenken, dat het eigenlijk zo bizar vaak en lang goed gaat. Als Breivik zich tot ICT had gewend, dan had hij nog meer kwaad kunnen aanrichten. En dan was hij ook veel subtieler geweest. De reden dat deze ramp in Noorwegen zo in the picture is komen te staan, heeft meer te maken met de visuele kracht ervan dan met het daadwerkelijke kwaad, want in de dezelfde weken kun je ook lezen, dat op een andere plek in de wereld op één dag 200 mensen zijn doodgeknald om politieke redenen.

Het grootste onheil denkbaar kan toch alleen maar van ICT komen. Zoals nu ook de hele economische crisis niet kan bestaan zonder ICT. ICT maakt het geheel van interafhankelijkheden te groot: het is niet meer te overzien: geen beperkingen bij de constructie van het alles-met-alles-verbindende netwerk, doch de gruwelijke beperkingen van de mens, om het nog enigszins te kunnen controleren.

Mijn finale vertwijfeling is altijd: als het op dit niveau van simpelheid al zo fout kan gaan, hoe komt het dan dat er niet al veel ergere dingen gebeurd zijn. Soms dringt zich de gedachte dan op: zou er toch een bedoeling achter zitten? Het is tenslotte ook al vaak bedacht, dat het duivelse een spel van God zelf is, om de mensen te leren door te kleineren. Ik moet die God en die duivel niet. Dan maar alles niet begrijpen en verwonderd blijven.  En misschien nog eens het barbarendom.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.