Zó normaal was het ook in mijn jeugd niet, dat ik van de boerderij kwam. In hartje Randstad bewogen zich om de boerderijen heen steeds meer forensenkinderen van gezinnetjes, die uit de ‘grote stad’ naar de nieuwe buitenwijken in de dorpen waren uitgeweken. Ik had eens zo’n Amsterdammertje over de varkensstalvloer en hij zei: “Dit zijn geen varkens, want varkens zijn rose en hebben een krul in de staart!”.
Het voelde als een exclusiviteit, te mogen opgroeien op een mooie grote boerderij, ook toen al. Dat er echter veel was, dat ik me niet voldoende realiseerde, daar kwam ik met een schok achter, toen ik ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ van Geert Mak las. Ik was uit jaar of 35 toen. Het wezen van dát boerderijleven, dat van mijn jeugd, dat bestond niet meer!
Toen ik ‘Dieren eten’ van Jonathan Safran Foer aan het lezen was, werd ik weer flink geconfronteerd met die werkelijkheid. Als student heb ik een jaar of 3 geen vlees gegeten. Ah, natuurlijk wel de rookworst bij de boerenkool, en nog zo wat van die dingen, maar ik kookte vegetarisch. Uiteindelijk sijpelde het weer weg uit mijn leefpatroon, hoezeer ik ook veel zonder vlees ben blijven koken.
Ik ben (nu eenmaal?!) een lui wezen: ik ‘weet’ het allemaal wel, maar het is lastig om al die consequenties te trekken. Het gaat er nog niet ééns zozeer om dat vlees te lekker is om te laten staan. Immers, ik heb ook lang niet afdoende energie gestoken in het onderzoeken van de alternatieven.
Als je als vleeseter ‘Dieren eten’ gaat lezen, dan houdt dat eigenlijk in, dat je je ervoor open stelt, dat er daarna je houding ten opzichte van het eten van vlees wilt of kunt aanpassen. Met die gedachte begon ik ook te lezen. Wél ook wetende, dat ik een lui mens ben. En, waar heeft het me gebracht?
Foer is zelf absoluut vegetariër geworden na het 3 jaren durende onderzoek, dat gebonden was met het schrijven van dit boek. Maar hij benadrukt, dat dit voor hem geen principiële maar een praktische keuze is geweest. Foer richt zijn pijlen vooral op de bio-industrie. Het eten van het vlees van dieren die een prima leven hebben gehad wordt door Foer totaal niet afgewezen. Hij vertelt erg respectvol over boeren die hun best doen met respect en eer voor het dier toch hun werk ervan maken, het beest uiteindelijk op tafel te brengen. Foer gebruikt dat op een slimme tactische wijze richting de lezer: deze boeren vechten namelijk bijna zonder uitzondering tegen windmolen: het IS zo goed als NIET mogelijk om een vleeseetwerkelijkheid te bouwen, waar je als boer ook nog eens van leven kunt, die niét op de één of andere manier toch corrumpeert of concessies moet doen.
Meer dan 99% van het vlees is bio-industrievlees. Het is echt verschrikkelijk. En het boek staat natuurlijk helemaal bol van de wantoestanden in de bio-industrie. Je zou kunnen stellen, dat het thema van dit boek gaat over hoe hypocriet wij met onze ‘beschaving’ omgaan. Ook Marianne Thieme houdt haar toespraken op de Al Gore-wijze: door alles te extrapoleren naar een breder maatschappelijk veld, naar onze gehele beschaving. Als wij zó met dieren omgaan, dan…. (moreel) en als wij zo intensief bio-industrie bedrijven, dan vernietigen wij het milieu, etc. (praktisch).
Foer is meermaals stiekem gaan inbreken in megastallen van varkens en kippen. (Bij deze beesten is het nog veel erger dan bij runderen.) Wat hij dan beschrijft is……. Brrrrrr. De mens is beestachtiger dan alle beesten bij elkaar!!!
Logisch ook, dat deze ‘fabrieken’ voor het volk echt gesloten moeten blijven. De zwakke moraal van de McDonald-bezoeker zou er zomaar van kunnen bezwijken. Ik bedoel: wakker worden. En dat moet de industrie niet hebben. Vlees heeft domweg niets meer met dieren te maken, dat is wel de rode draad. En dat is eigenlijk een heel recente geschiedenis. Dat wordt wel weer bewezen door mijn eigen ervaring; mijn eigen jeugd op de boerderij. Onze koeien hadden het nog heel aardig hoor! Lekker lui in de wei.
Blz. 254:
Het morele aspect van de relatie tussen veehouders en hun dieren is uniek. De boer moet een levend wezen grootbrengen met het doel het te slachten voor vlees, of af te maken als het niet meer productief genoeg is. Daarbij mag hij niet emotioneel betrokken raken en ook niet heel cynisch worden over de behoefte van het dier aan behoorlijke leefomstandigheden. Op de één of andere manier moet de boer een dier op een winstgevende manier grootbrengen zonder het alleen maar te beschouwen als product.
Mag je dit van boeren verlangen? Is vlees in onze huidige industriële samenleving wel te rijmen met mededogen? Is het niet noodzakelijkerwijs een afwijzing, een mislukking, misschien zelfs een keiharde ontkenning ervan?
Blz. 264:
Wij kunnen ons niet beroepen op onwetendheid, alleen op onverschilligheid. Wij zijn van de generatie die beter zou moeten weten. Wij waren erbij toen de kritiek losbarstte op de bio-industrie, en dat is een last en een kans. Wij zijn degenen aan wie gevraagd zal worden: Wat deed jij toen je de waarheid hoorde over het eten van dieren?
Bio-industrievlees: ik wil er graag bij vandaan blijven. Ik koop geen vlees in de supermarkt. Maar ik weet niet hoe mijn keurslager, hier om de hoek (ik kom er graag), zich verhoudt tot bio-industrie. Deze slager gaf mij laatst wel aan, dat zijn eieren geen biologische eieren zijn.
En wat eet je in het eethuisje om de hoek als je een biefstukje eet?
Foer stelt, dat als je halve maatregelen neemt, dat je dan feitelijk nog gewoon de bio-industrie ondersteunt. Het is keihard.
(En hieronder stond nog een ‘moreel stukje’ over de terugkoppeling naar mijn eigen leven. Maar dat vond ik ook wat pathetisch worden; heb ik weer weggehaald. Ik moet zelf die spiegel van mijn geweten maar blijven zoeken…)